73
Hij vergelijkt o.a. deze zinnen:
a.
Ik durf den grooten hond niet aan
.
b.
Ik durf een grooten hond niet aan
.
c.
Ik durf dien grooten hond wel aan
.
Wil men hier de kracht der bijvoeglijke bepaling telkens met behulp van een bijzin
weergeven, dan verkrijgt men:
a.
Ik durf den hond niet aan
,
omdat hij groot is
of ook:
die zoo groot is
.
b. ....,
indien hij groot is
.
c. ....,
ofschoon hij groot is
.
Maar deze verschillende omschrijvingen doen niets af van het feit, dat
grooten
een
eenvoudig bijvoeglijk woord is.
Reeds uit het gegeven voorbeeld blijkt tevens, dat de opmerkingen, die in vele
grammatica's voorkomen omtrent de logische betrekking van het naamwoord van
gesteldheid tot het werkwoord
1)
kunnen uitgebreid worden ook tot de attributieve
bijvoeglijke bepalingen.
Vergelijkt men:
Verhit van een langen marsch
,
ging ik zitten
met
Verhit van een
langen marsch
,
ga ik zitten
, dan kan de praedicatieve bijvoeglijke bepaling in den
tweeden zin worden omschreven met:
Wanneer ik verhit ben
tegenover die in den
eersten zin:
Daar ik verhit was
. Hetzelfde kan evenwel worden opgemerkt omtrent:
Een verhit wandelaar ging zitten
en
Een verhit wandelaar gaat zitten
. En zoo voorts.
Velen gebruiken twee benamingen:
verkorte
en
beknopte zinnen
. Het verschil
tusschen beide wordt door een voorstander dezer onderscheiding aldus
samengevat
2)
. ‘In den beknopten zin is het onderwerp opgesloten in het gezegde,
gelijk eene bloem in den knop
3)
, b.v.: “'t Vernoegt mij mijn leven en bedrijf te zien”
= “dat ik mijn leven en bedrijf zie”. In den verkorten zin zijn het onderwerp en een
deel van 't gezegde weggelaten, b.v.: “Alexander, genoopt van schoonen nijd = die
genoopt werd van schoonen nijd”’.
Deze onderscheiding, het zij met nadruk gezegd, is reeds door onze voornaamste
grammatici vervallen verklaard. De naam
verkorte zin
is afgeschaft en de term
beknopte zin
geldt thans voor het een zoowel als voor het ander
4)
. Toch achten wij
het niet overbodig, er op te wijzen,
1) Vgl. o.a. Cosijn-Te Winkel § 666-676.
2) J.E. ter Gouw in Noord en Zuid IV, bl. 206.
3) Wij cursiveeren.
4)
Vgl. o.a.T. Terwey, Ned. Spr
7
. § 50.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce