254
begaafde zich door het leven teleurgesteld gevoelde. Gaarne leest men van zijn
eerbied voor
Geel
en
van der Palm
. Met Hoofdstuk IV en VI vooral zal de
Litteratuurgeschiedenis haar voordeel doen: het eerste behelst menig letterkundig
oordeel over de Letteren van de jaren 1835-1840; het andere is
hoogst
merkwaardig
voor de. geschiedenis van den
Gids
. Grootendeels geput uit Potgieters
Brieven
aan
Beets, met bewonderenswaardige takt en kiesche oprechtheid toegelicht, wekken
deze bladzijden-met-elkaar alles op, wat we van elders weten: wij leven mede, wij
hooren de stem van dat tijdperk.
Er wordt ons nog meer geschonken. Een zeer
opmerkelijk
, een edel tevens en
schoon gedicht van Potgieter ter herinnering aan Aernout Drost in het Stamboek
van zijn vriend Nicolaas Beets. Met de mededeeling dezer verzen is den vereerder
van P. metterdaad een zeer goede dienst gedaan.
Eindelijk: des Auteurs
Brief aan den Heer E.J. Potgieter
,
over zijn opstel in ‘de
Gids’
,
getiteld: Piëtistische Poëzy
. Beets had Albertine Kehrers
Gedichten
met een
voorbericht bij het Publiek ingeleid. In de Gids van 1853 had Potgieter in het bekende
opstel den staf gebroken over deze Poëzie. Onder den titel
Bevoegde Kritiek?
was
de Openbare Brief van Beets,
protest
,
weerlegging en terechtwijzing
in den
Recensent
van 1853 verschenen. In de
Kritische Studien III
werd
Piëtistische Poëzy
herdrukt, als een zeer gewichtig document voor de kennis van zijn auteur; men leert
hem in positieven en negatieven zin er uit kennen. Dit geschiedde ondanks Beets'
protest
en
terechtwijzing
. Zoo zag deze zich verplicht, nu de gelegenheid zich
voordeed, ook zijn Openbaren Brief
Bevoegde Kritiek?
in herdruk te geven. Van
bladz. 63-98 boeit ons dit voortreffelijke stuk in het onderhavige boekske. Hem die
verstaan kan en verstaan wil, is het nóg eene bijdrage - niet enkel tot de kennis van
Beets, maar ook voor de kennis van Potgieter. Ons althans is het dit; gelijk in de
eerste, zien wij ook in de tweede helft dezer
Herinneringen
onze voorstelling van
Potgieter steeds mèèr bepaald worden. In de
Kritische Studien
hadden wij Potgieters
artikel niet gaarne gemist. Wij verheugen ons dubbel over de opneming, nu zij
aanleiding moest geven, dat Beets zijn Brief aan de vergetelheid onttrok. Een edel
duel!
Thans hebben wij Potgieter over Bakhuizen en Fruin over Bakhuizen en Huet
over Potgieter en Beets over Potgieter. Het hart van een rechtschapen letterkundige
verdaagt er van. Hij zegt tot zichzelven: Men mag onze Romantiek dan toch nog
wel zien! En hij brengt den Nestor in Utrecht zijn warmen dank en roept hem in
gedachte een
Plurimam Salutem!
toe. Hij ziet het boekje er nog eens op aan en
verheugt zich, dat deze lichte, veerkrachtige pen nog niet behoeft te gaan rusten
en koestert de hoop, dat zij voor alsnog ook niet - voor goed zal willen rusten.
Z.
V.D.B.
Pieter Langendijk door
F.Z. Mehler. 1892. - Culemborg, bij Blom en
Olivierse. - Prijs
f
0.75.
Gelijktijdig met den Heer Dr. Meijer, liet ook de Heer F.Z. Mehler, beambte bij de
Stads-Universiteits-Bibliotheek te Amsterdam, zijne gedachten gaan over Langendijk.
De heer Mehler is niet enkel drama-kenner, hij is ook
tooneelkenner
. Wij voor ons,
die het stoffige en havelooze van Langendijk altijd had afgestooten, hebben aan
dezen begaafden Gids den
juisten kijk
op den miskende als persoon en als dramatist
te danken. Wij aarzelen niet, als onze overtuiging uit te spreken, dat hoe voortreffelijk
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce