Engel IB144 Uživatelský manuál Strana 272

  • Stažení
  • Přidat do mých příruček
  • Tisk
  • Strana
    / 440
  • Tabulka s obsahem
  • KNIHY
  • Hodnocené. / 5. Na základě hodnocení zákazníků
Zobrazit stránku 271
224
te zien van
adel;
vandaar ook de spelling
aêl
, welke P. hier gebruikt. Vgl. Ledeganck,
Aan Brugge:
‘Laat andermaal u tooien in d' adelouden gloor.’ Men zie ook het
Wdb.
der Ned. taal. droom
in den zin van gewrocht der verbeelding;
ijdel:
‘van allen grond
ontbloot.’
vs. 137.
Orpheus
, de beroemdste onder de mythische zangers van Griekenland,
een zoon van de Muze Kalliope en Apollo. Door de macht van zijn gezang en
snarenspel kon hij de wildste dieren temmen en rotsen en boomen bewegen. De
stroom, waarvan hier gesproken wordt, is de Hebrus, de hoofdrivier van Thracië,
het gewest, waar Orpheus thuis behoorde. Aan den oever van den Hebrus werd hij
ook later gedood.
vs. 139.
ten rei deed varen:
‘ten dans deed gaan.’ Over het onderscheid tusschen
rei
en
rij
zie men de Spraakkunsten. Van
rei
‘dans’ is ook het w.w.
reien:
‘dansen.’
Aarde en lucht:
de voorwerpen, die zich op de aarde of in de lucht bevinden,’ vgl.
het zingende woud:
de vogelen,
het wemelend nat:
de visschen. Men vergelijke
voor dezen regel nog de volgende plaats uit Vondels vertaling van Ovidius'
Metamorphosen
, (B.X., vs. 148 vlgg.) waar van Orpheus gezegd wordt: ‘Der Goden
zoon, gestelt ten Godtstolck, zette zich hier op een' heuvel neder.
Hier vergaêren
de boomen bly ten reie en dansen op zijn snaeren in koele schaduwen
.’
vs. 140.
in weergalooze luit
. Zegt iemand:
ik eer in hem een' vader
,
ik bemin in
haar eene moeder
, dan
is
hij een vader en zij eene moeder voor den spreker.
Wanneer O. dus in (eene) luit den schepter der natuur omklemde, dan
was
die luit
de schepter der natuur, dan beheerschte hij dus daarmede de natuur. De
schepter
is de ‘heerscherstaf’, het symbool der heerschappij. O. bespeelde eigenlijk de
lier;
Potgieter maakt daarvan eene
luit
. Beide zijn snaarinstrumenten; de laatste heeft
min of meer den vorm van eene in de lengte doorgesneden peer; de vorm der eerste
is zeker bekend genoeg: men ziet haar zeer vaak op vignetten voor bundels poëzie.
Weergaloos:
zonder wedergade;
gade
is eig. ‘datgene, wat bij iets anders behoort’
en daar men gelijksoortige dingen samenvoegt ‘gelijke’; vgl.
te gader
,
vergaderen;
weder
is ‘tegen, tegenover’,
wedergade
derhalve: ‘gelijke tegenover (gelijke).’
vs. 145.
verzellen
,
staâg
, beide met afwerping van
ge;
men merke op, dat deze
vormen deftiger zijn dan
vergezellen
,
gestadig
, terwijl bijv. bij
lukken
,
raken
tegenover
gelukken
,
geraken
juist het omgekeerde het geval is.
Stade
is ‘plaats’,
stadig
‘plaats
hebbende,’ in
ge
zit het begrip van herhaling: dus:
gestadig:
‘herhaaldelijk plaats
hebbende.’ Het beteekent zoowel: ‘zonder tusschenpoozen, onafgebroken,’ als ‘met
geringe tusschenpoozen, bijna onafgebroken.’
vs. 147.
geneugt
, van
geneug
, een bijvorm van
genoeg
komt in bet. dichter
Taal en Letteren. Jaargang 2
Zobrazit stránku 271
1 2 ... 267 268 269 270 271 272 273 274 275 276 277 ... 439 440

Komentáře k této Příručce

Žádné komentáře