130
lijk zacht en ernstig; daar was iets dieps en dwepends in zijn blik, en de glimlach
om den vriendelijken mond temperde een trek van smart en bitterheid. Met een
glans van meer dan aardsche zaligheid aanschouwde hij haar, naast hem, teeder.
Zij was
schoon als de droom eens dichters:
rank als een lelie uit de delling, blozend
als een zomerochtend: zijn ideaal. Zij stonden oog in oog, sprakeloos, ziel in ziel;
totdat hij eindelijk sprak. ‘Liefste, voelt ge thans ook de zaligheid der eenzaamheid
met zijn geliefde?’ Haar toon klonk kinderlijk en zoet, zóó was ook haar glimlach;
en zij verstond hem en hij was sprakeloos van dankbaarheid. Het was schoon in
die geheimzinnige ure, te midden van het zaliginsluimerend woud,
die twee blanke
duiven
, die reine zielen in hun zaligheid te aanschouwen. Straks ijlt zij heen, om
hem een bloemenkrans te plukken. Toen zonk zijn hoofd al mijmerend neder:
een
visioen rees voor zijn oogen
. Hij deelt het de geliefde mede, als zij weêrkeert.
Dit
zag hij: Een lief landelijk huisken aan den ingang van een beukenwoud, half
wegschuilend,
als het nest eener tortelduif:
het is herfstavond: bij het flikkerend vuur
de jonge moeder, haar eersteling rozig en warm aan heur borst; pas heeft de man
zijne pen
neergelegd; opgerezen uit de dichtermijmering, slaat hij de armen om
vrouw en kind en dan wekt beider kus de kleine. Een nieuw tafereel kwam toen op.
Hetzelfde huisje, vijftig jaren later: het is een voorjaarsmorgen, en onder de
saamgevlochten kruinen der kastanjeboomen, wemelend van hagelwitten bloei, in
een prieel van meiroos en sering, koesteren zich twee oudjes in de warme lentezon,
een zaligen glimlach om de lippen: dáár komen ze de kleinzoons, de kleindochters,
de dochters en de zoons: het is het Gouden Bruiloftsfeest; daar scharen allen zich
om de grijzen: een blonde knaap komt voorwaarts: helder en schuldeloos, als met
de stem van een engel, klinken zijne verzen en als hij eindigt, dan vliegt de
kinderschaar hùn om den hals, die daar beide lachen en weenen. Die man was hij,
die vrouw zijne geliefde. ‘Gij zijt een droomer,’ meent zij. ‘Een droomer?’ vraagt hij.
Een wolk toog over zijn gelaat.
‘“Een droomer, ja,
Waarachtig, 't zijn maar droomen, ijdle droomen,
Die nooit misschien....” En met een bittren lach
Zag hij voor zich, en zweeg.’
Is het noodig te zeggen, dat de jongeling in het landschap zelve deze droomer is?
In zijne droomen droomt hij van nieuwe droomen. Zijn hart was voor de eenzaamheid
gestemd. Het landschap heeft al de snaren van dat hart thans aan het trillen gebracht.
Zulk een landschap, dat droomen
wekt
, heet romantisch. In het hart-zelf moeten
contrasten
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce