
162
Nog krachtiger spreekt mogelijk de slotregel van Bilderdijks
Uitvaart
, dat geheel van
denzelfden geest doortrokken is en trots de haast gezochte en vermoeiende speling
van het rijm overwaard is daarmee vergeleken te worden, daar het de meeste der
bovengemaakte opmerkingen kan bevestigen. Na de overdenking, hoe de jaren het
lichaam sloopen, tot eindelijk de onverbiddelijke dood van alle aardsche grootheid
niets overlaat, komt de troostrijke gedachte hem bemoedigen, dat hij met hooger
hulp den Aartstiran zal verwinnen:
Doch wat 's dit mij,
Die zorgenvrij,
In 't uitzicht blij,
Dat ik belij,
Op 't noodgetij'
Mag triomfeeren?
klinkt het blijder van zijne lippen. Maar hooger heft zich zijne borst, als in 't vooruitzicht
van de zege hij met den juichkreet eindigt:
Geen nood, dien wij
Aan Jezus' zij
Niet stout braveeren!
Zijn Englenrij
Verordent Hij
Tot wachters om ons hoofd. Geen onheil kan ons deren.
Het derde couplet. - Het kind is weggerukt, geen gebed hield het tegen, geen wonder
bracht het terug. Het menschelijk verstand staat stil, in het ledige hart wonen
wanhoop en twijfel. Geen vriendentroost, geen gewijde spreuk kan hier leniging
brengen. De dichter zwijgt onmachtig en laat het woord aan de Godheid zelve. En
bijna jubelend klinkt het uit den Hoogen:
Dat het vleesch zich verloochen', de geest zich verblij'!
Mijn genade is met U, en Uw kind is met Mij.
Voor dit orakel verstommen alle twijfelingen, een verblindend licht doordringt den
nacht, de nevelen dunnen en de troostelooze voelt de waarheid van Longfellow's
woorden: Achter de wolken schijnt nog de zon.
Aangrijpender slot is van Da Costa's standpunt nauwelijks denkbaar. Doch de
verheffende uitwerking daarvan schuilt niet enkel in de omstandigheid, dat de Koning
der hemelen zelf tot de menschen spreekt, zij ligt voor een niet gering deel in eene
afwijking van den vorm. Terwijl het gedicht overigens geheel in
jamben
geschreven
is, bewegen zich de twee laatste regels in
anapästen
: ; twee
onbeklemtoonde lettergrepen gaan ééne beklemtoonde vooraf. De zwakke
maatdeelen raken in de meerderheid en geven daardoor meer luchtigheid aan den
gang van het vers, wat te levendiger gevoeld wordt door de tegenstelling met het
vorige. In verband met de beteekenis der woorden - laat ons het wel onthouden, dit
blijft
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce