7
deugd geen strijd. Zoo zij nooit en nergens een duim breed afwijken van de algemeen
als vereerenswaardig erkende beginselen van betamelijkheid, het is tengevolge
eener zekere hoeveelheid visschebloed in hunne aderen. Voor de eene helft is de
Roos van Dekama nauw verwant aan Ferdinand Huyck en, met den Huyck, aan
den Briefroman der voorgaande eeuw. De voortreffelijkheid van het laatste boek
boven het eerste valt hiermede in 't oog. Het eene, nog afgezien van andere
dubbelzinnigheden, kleedt de achttiende eeuw in middeleeuwsch kostuum, een
anachronisme dat de haren te berge doet rijzen; het andere, geen vermenging van
tweeërlei beschaving, is de voorstelling van een echte aanschouwde en begrepen
werkelijkheid, waarin het uitwendige het natuurlijk omhulsel van het inwendige is. -
Zeker is het opmerkelijk, dat Van Lennep, toen hij zich met de verbeelding in de
veertiende eeuw verplaatste, de Ridders en Jonkvrouwen in de gedaante van
Hollandsche burgerknapen en jongedochters uit zijn eigen overgangstijdperk zag
figureeren. Waarom heeft hij den Graaf en den Bisschop niet tot hoofdpersonen
verheven? Hij had, krachtens een Hollandsche voorkeur, tot leus gekozen: Geen
exceptioneele personen, menschen van gelijke beweging. Onder de zoodanigen
verstond hij toenmaals nog de Deodaats, de Madzy's, de Aylva's. Aan deze modellen
hadden hij en al zijn tijdgenooten nog meer of min deel; de ouderwetsche maatstaf
was nog gangbaar. Het Byrontype, van de maagschap van Werther, Rousseau en
Chateaubriand, was in onze litteratuur reeds opgetreden, maar als een weinig
begrepen vreemdeling. Vragen we echter tevens: waartoe schiep Van Lennep dan
een Van Arkel, een Willem IV, menschen wier bloed blijkbaar zoo veel anders is
samengesteld, wier hart zoo veel sneller klopt? Een opmerkzaam lezer van den
roman heeft met het antwoord geen moeite. Omdat de schrijver met zijn
tijdgenooten
in den roman niet voortkon, gelijk het Jonge Holland niet met hen voortkon op de
paden der nieuwere Romantische Litteratuur. Er viel met hen geen roman te beleven.
De stelling van ‘Niet Exceptioneel’ zegt van het standpunt der zuivere kunst, te veel
en te weinig; zonder nadere omschrijving en bepaling is zij waar en onwaar tegelijk.
Maar de Inleiding van De Roos van Dekama had haar in allen gevalle beter
gezwegen, voor hen die nog niet, op de wijze van Hildebrand, later (
Familie Stastok
),
over een afrekening met hun vaders en grootvaders dachten. Het exceptioneele in
onartistieke beteekenis behoorde voorshands nog een oefenschool der verbeelding
te blijven. Halverwegen gekomen trok Van Lennep zijn hart van Deodaat af. Op het
eind van het eerste deel brengt hij hem op een ziekbed achter de schermen; in het
laatste hoofdstuk van
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce