179
eeuwen. Fischart, een zeer rijke bron voor de studie van het komische, zegt o.a. in
zijn
Binenkorb
(200):
zur zeit
,
da die bach branten und mit stroh leschten
,
die bauren
bollen
,
die hund mit spissen herausloffen
,
nemlich zur zeit des strengen Finkenritters
.
De aanhaling van den naam des
Finkenritters
verplaatst ons midden in de
komische literatuur der 16
e
eeuw, waarvan de onder dezen titel bekende verzameling
grappen en verzinselen de beste vertegenwoordiger is. Dit boek verscheen in 1559,
doch het is slechts een compilatie van stoffen, die reeds lang onder het volk in
omloop waren.
Tot heden toe neemt het volk er genoegen aan, om onzin en leugens te verzinnen;
tot op onzen tijd zijn er leugenliederen en leugensprookjes bekend gebleven, niet
alleen in Vlaanderen, maar ook, volgens Dr. G. Kalff getuigde, in Holland
1)
. Zoo zeer
vindt het volk behagen aan de beelden die zijn humor zich schept wanneer hij de
fantazie de teugels op den rug werpt, dat nog heden, in Vlaanderen en elders, vaak
een
prijskamp om het meest te liegen
een der nummers van het kermisprogramma
is.
Er bestaat intusschen een gansche literatuur van leugenachtige verzinselen,
waarvan de oudste ons bekende opklimmen tot de 11
e
eeuw. Daar vindt men ook
de bronnen van al wat nog heden in dit soort bij het volk in omloop is.
Het
Jaar Een
, meer in 't bijzonder in Vlaanderen bekend, schijnt mij te behooren
tot die scheppingen, waarvan in onze hedendaagsche taal nog andere zijn
overgebleven, en wel in de eerste plaats, de naam zelf van dat ingebeeld land.
Hiervan bestaat een zeer oud voorbeeld in de Middelnederlandsche
Clute van
Pleyerwater
. De vrouw geeft Werrenbracht, haar man, last om
playerwater
, d.i.
speelwater (van
plaren
, spelen, verwant met het Eng.
to play
) te halen. Dit water is
weer al niets dan een verzinsel der speelsche fantazie. Op zijn vraag waar dat te
vinden is, zegt de vrouw:
(vs. 46) ‘Tonvreen, in oest lant, in het vloeyt hoghe
Uten berghe van ontwijste bij tal van drofheyen.’
Prof. Moltzer (
Mndl. dram. Poëzie
p. 260) legt deze woorden uit als volgt: ‘Tonvreen,
d.i.
te onvrede
, dus zooveel als
in onrust en bekommering;
de vrouw maakt er maar
wat van, om Werrenbracht te verschalken.’
Deze plaats wenschte ik geheel anders op te vatten. De vrouw bezigt hier m.i.
fictieve plaatsnamen waarvan wij er hooger zoo vele zagen: te
Onvrede
, de Berg
van
Ontwijste
, d.i. van Onwijsheid of Onnoozelheid; het
Dal van Droefheid
. Al deze
plaatsen worden, overigens door den dichter zelf, verlegd in het
Oestlant
, dat mede,
niettegenstaande onze Middeleeuwsche liederen die
1) Het Lied etc., p. 489.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce