25
toonen in de 14
e
eeuw, maar eerst in de 16
e
en in 't begin der 17
e
eeuw tamelijk
algemeen wordt.
In het Middelnederlandsch vindt men niet zoo heel zelden een vierden naamval
in de plaats van een eersten:
‘
Dien
berch bernet emmermere’ (
Brand.
, 641).
‘Vrient ne laet jou niet bedwellen
De
n
grote
n
duvel uter hellen’ (
Walewein
, 3956).
‘Want ene
n
goede
n
scarpe
n
raet
Waer hier goet toe gheoerdeneert’ (
Esmoreit
, 88).
‘Platus meester, dese
n
raet es goet’ (ald. 130).
‘Esmoreyt heyt dese jonghe
n
man’ (ald. 273).
Andere voorbeelden zijn o.a. te vinden in de grammatica's van Franck (blz. 149) en
Stoett (
Syntaxis
, blz. 1 en 2).
Minder vaak zien wij den nominatiefvorm de plaats van datief of accusatief
innemen; toch is ook dit verschijnsel niet zeldzaam, vooral bij het tegenwoordig
deelwoord
1)
: (‘in levende live’,
t Samenspr. v.d. seven H. Sacr.
, 36 r., ‘van den
lopende water’,
der Sielen Troost
, 88 r.) en bij het relatieve
die
, dat in datief en
accusatief onverbogen kan blijven
2)
(‘hi noodene ende eerden om den scat,
Die
hi
hem hadde ghegheven te voren’,
Flor.
2772. - ‘Hier es Rosseel, een scone dief,
Die
hebbic nochtan alse lief’.
Rein
. 1414). Ook bij het demonstratieve
die
en het bepalend
lidwoord treffen wij, vooral in de 15
e
eeuw, een mannelijken dat. en accus. sing.
zonder -
n
aan
3)
.
Toenemend verloop van geslachten en verwarring van naamvallen en
naamvalsuitgangen - deze factoren bereidden de groote regelloosheid voor, die wij
aantreffen in de 16
e
eeuw.
Slaan wij, om den stand van zaken in de eerste helft van dat tijdvak eenigermate
te leeren kennen, een blik op de taal van het zinnespel
Den Boom der Schriftueren
4)
,
dat in 1539 te Middelburg door Middelburgsche kameristen werd vertoond.
Dikwijls zien wij den accusatief in de plaats van den nominatief gebruikt:
‘Niemant en kent den Sone dan de
n
Vader onversaecht,
Ende den Vader en kent niemant dan de
n
Sone’ (blz. 3).
‘Mijn ioc is gemackelijc, ende mijne
n
last is licht’ (ald.).
‘Ic ben u broedere,
Uwe
n
eenich advocaet, u herder, u hoedere,
1) v. Helten, blz. 408 vgg. Ook Stoett, t.a.p. 38.
2) t.l.a.p. 59. Zie ook Cosijn in
Taal- en Letterbode
VI, 276-289, waar een verklaring beproefd
wordt. De datief
die
zou een oude datief-instrumentalis zijn; door gelijkstelling van datief met
accus. zou de vorm ook in laatstgenoemden naamval zijn doorgedrongen (ald. 288).
3) v. Helten, 452.
4) Het stuk werd in 1870 opnieuw uitgegeven door Dr. G.D.J. Schotel (Utr.).
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce