110
In 103-105 presenteert zich Schaepman met een vijftiental regels uit
Aya Sofia:
zakelijke aanteekeningen, uiteenzetting van den inhoud en een oefening die beter
vóór dan na de paraphrase stond. Eindelijk wordt nu het
neusje
van den zalm
opgedischt. Ruim twintig pagina's komen over Da Costa, waarover elk studeerend
onderwijzer zich met recht zal verheugen, die ook wij zonder voorbehoud eene
aanwinst
noemen voor zijne studie. De
Voorzang
van
Vijf en Twintig Jaren
ontvangt
hier een geleide van annotaties, die te gebruiken zijn; het fragment
Napoleon
eveneens; eindelijk, en dit is ván het neusje het allerbeste,
verrassen
ons een
veertien bladzijden aanteekeningen, paraphrasen en inhoudsoverzichten over en
van
Hagar
. Aan dit gedeelte van het boek is werk besteed. Doch, wij mogen de
opmerking niet verwijgen, dat de Leeskunst nog
andere
eischen stelt: die
grammaticale
oefening van den eersten rang, die ook denk- en stijloefening is, laat
ook hier op zich wachten. Het hoofdstukje over Bilderdijk is almede meer letterkundig:
een aantal aanteekeningen bij het fragment uit den
Ondergang
en de epigrammen
op
Hooft
,
Vondel
,
Poot
ontbreken niet. Dertig bladzijden met litterarisch stempel
over Vondel maken het slot uit; aanteekeningen komen den lezer, bij de meegedeelde
gedichten, weer te hulpe.
Van dit overzicht mochten wij ons niet ontslaan. Nu het een werk geldt van een
man, die zich bij den Onderwijzer zulk eene bekendheid heeft verworven, moet de
lezer zelf oordeelen. Ons oordeel echter houden wij niet achterwege: De laatste
zestig bladzijden zijn
goed
. De ruim honderd die voorafgaan zijn
niet
goed. De
hoofdstukken over Da Costa, Bilderdijk, Vondel, behooren (met schrapping van hier
en daar slechts wat grammatica) in een
Letterkundig
Oefenboek. Al het andere
als
geheel behoort
in geen Oefenboek. Het is geen voorbereiding tot dat betere gedeelte.
Uit twee ongelijksoortige deelen bestaat het boek. De oefeningen over de strophen
uit Bogaers en uit De Génestet (zie ons overzicht) zijn niet moeielijk, het is zoo. De
bladzijden over Synoniemen en Tropen vonden plaats in het eerste derde deel, wij
merkten het op. Doch van opklimmende oefening kan men niet spreken. Wij zien
hier lagere Spraakkunst, Oefening in de Leeskunst en Letterkunde ordeloos dooreen
behandeld en dooreen gevraagd. De heer Koenen kondigt in zijn voorbericht eene
methode aan. Zóó het dan eene methode zijn moet, - het is de methode
die alles
tegelijk wil doen
, het is niet die innige verbinding van Leeskunst en studie der
schrijvers, zonder welke noch de eene, noch de andere haar beste vrucht zal dragen.
Wat zegt de heer Koenen? ‘Ik heb mij met voordacht onthouden van het opnemen
van examenopgaven: (deze) vormen geen methode. In dit opzicht geldt de spreuk
der ouden:
non multa sed multum!
’: niet velerlei maar veel. Het bevreemdt ons dat
men van deze doorluchtige wijsheid uitgaande, een boek gaat samenstellen dat uit
zoovele deelen, deeltjes en onder-deeltjes ‘bestaat’, waarvan wij althans niet kunnen
verklaren hoe zij zijn samengekomen. Dit boek zonder eenheid is een oefening in
studie zonder eenheid
. Dit nu is een gevaarlijke studie. Het examen
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce