
358
was; vele suffixen toch hadden in den oudsten tijd ook den hoofdtoon
1)
. Zoo
onderscheidt men nu sterke, middel en zwakke, en vaak nog ook een zwakste stam.
Ik geef eenige voorbeelden.
De
t
2)
in tand is de zwakke stam, in et-en zit de middelstam; het woord is een
participium-praesens, met de beteekenis van den ‘eter’. Evenzoo de
zw
in zwijn;
vergeleken met grieksche ὗς, lat. sus (gen. suis); -ijn is daar een achtervoegsel
3)
.
En ook de
kn
in knie, waar het grieksch γόνυ de sterkste stam aanwijst. Zoo ook
brok en stok
4)
, en sprookje bij ‘spreken’.
Naast die
e
stammen staat de
i
stam in bete, met
a
-umlaut, naast gebit, en
bitter; in visch e.a.
Een zwakke
u
stam zit in los, (eigenlijk lus); in roke, met
i
-umlaut ook reuk;
in otter, rogge.
Een nasaalstam in komst (eig. k st) en in bundel met
i
-umlaut, uit bondel;
en een liquida-stam in goud uit gold; in hulp met
i
-umlaut; in voorde, vgl.
Koevorden, Vorden, Amersfoort, Oxford (?); in dorst; in bord; in horretje
(hordetje, hd. hurde), in voren (hd. furche); in (turf)mol(m).
Een andere zwakke stam vindt men in kuisch (ohd. chûski), en (koe)-uier,
waar Kiliaen uder, uur heeft; 't friesch toont jaer
5)
met den middelstam uit jader,
(jadder bij Vondel, Leeuwendalers), en dit uit ouder *íader, *eudar.
Zoo zal ook schier wel een zwakke stamklinker hebben. - Garve, schaarde
(in een mes), en kraken evenzoo.
Den middelstam hebben:
bijt in 't ijs; stijgen; wijk (lat. vicus, en de sterke stam in oîkos). - verliezen,
kiesch. - nieuw (got. niujis, oudsaks. niuwi). - zetel, gift, bint.
De sterke stam komt voor in:
band, drank, fabel (uit lat. fabula), laaie vlam (friesch, uit ouder *laug-,
vgl. ohd. loug, mhd. louc, ags. lêg, lîg, nieuwfriesch
1) Dat ‘ablaut’ alleen woorden vormde, blijkt nergens; vgl. Verdam, Geschied. Ned. Taal, 72/3,
75/6. - En de grammatica's.
2) Ook in ἄριστον uit
ἄρι- d- τον
= ontbijt.
3) Eigenlijk is 't woord een adjectief. Vgl. su-înus, en grieksch ϰοραϰ-ῖν-ος = jonge raaf.
4) Sievers, Paul-Braune Beitr. XVI.
5) ‘koes-jierren’, W. Gribb. Brull. (Mfrie. Bloeml. XIX, 13) kan dialectische uitspraak voor
-
a
rren, -
e
rren wezen. - Overijselsch is echter ‘gier’.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce