189
Een paar maal echter schijnt mij de opvatting van Verwijs beter. Zoo bv. in reg. 318
ontharnasde
, waarbij Dr. Stoett denkt aan ‘eene regeering, die geen klem aan hare
bevelen kon geven,’ terwijl Dr. Verwijs m.i. terecht daarbij aanteekende: ‘burgerlijk’,
omdat sinds de komst van Alva civiel en militair bestuur niet meer in ééne hand
waren; en in reg. 329
waartgeldt
, waar ik met Verwijs geloof, dat het Duitsche
wartgelt
, d.i. wachtgeld of nog liever ‘handgeld’ bedoeld is.
Nog enkele andere punten in de aanteekeningen heb ik opgemerkt, waarbij ik
van Dr. Stoett in meening verschil, bv. in reg. 41, waar ik
zamelpenningen
niet met
‘collecte’, maar met ‘spaarpenningen’ zou vertalen en, daar ze ‘uit het diepst der
borze opgebraght’ worden, met ‘de laatste spaarduitjes.’
Reg. 87-90 behooren zeker tot de moeielijkste plaatsen bij Hooft. Wij vinden daar
vijf deugden der Spanjaarden genoemd, die bij ongunstige voorstelling of overdrijving
als even zoovele ondeugden kunnen opgevat worden. Zoo kan hunne ‘altydts
nuchtere bequaamheit’ als ‘grimmigheit’ beschouwd worden, d.i. hunne kalme
zelfgenoegzaamheid als norschheid; zoo hunne ‘stemmighe deftigheit’ als ‘grootsheit’,
d.i. hun gepast gevoel van eigenwaarde als hooghartigheid; zoo hunne ‘ernstige
wakkerheit’ als ‘schalkheit’, d.i. hunne zich nooit verloochenende uitgeslapenheid
(vooral in den handel) als bedriegzucht; zoo hunne ‘gestadighe vlytigheit’ als
‘baatzucht’, d.i. hunne onafgebroken werkzaamheid als baatzuchtigheid; en zoo
hunne beleggende zorghvuldigheit’ als ‘eindthoudenheit’, d.i. hunne verstandige
spaarzaamheid als gierigheid. Vooral bij het laatste woord verschilt mijne verklaring
aanmerkelijk van die van Dr. Stoett. Dat
eindthoudenheit
de beteekenis van
stijfhoofdigheid kon hebben, ontken ik niet, maar hier houd ik het er (ook met het
oog op reg. 135) voor, dat Huydecoper, wiens
Proeve
II, bl. 360 door Verwijs en
Stoett is aangehaald, maar niet gevolgd is, het terecht met
gierigheid
verklaarde.
Daarentegen vergist Huydecoper zich zonderling, als hij meent, dat hier de deugden
der Nederlanders worden opgesomd, terwijl er van die der Spanjaarden sprake is.
Bij reg. 140 wordt in de aanteekening op
bet
verkeerdelijk
betovergrootvader
aangehaald, een woord, dat volgens de gezaghebbende woordenlijst niet bestaat.
Wij vinden daar
betoudovergrootvader
, d.i. dus nog een geslacht verder.
Bij reg. 151:
vermaaghschapping
is de verklaring
bondgenootschap
onjuist, althans
onvolledig. Er wordt natuurlijk gedoeld op het huwelijk van Philips II met Maria Tudor.
In reg. 170 zou ik
beknopt
niet verklaren met ‘dicht aaneengesloten, één geheel
vormend’. Het woord toch, dat ook in den vorm
beknoopt
voorkomt, beteekent: goed
geregeld, goed geordend. Zoo spreekt ook Huygens in
Zedeprinten: Een waerd
vs.
44 van Maurits' ‘beknopt geweld’ (d.i. goed geordende macht) en
Korenbloemen
I,
bl. 556, vs. 79 van
beknopte ernst
, d.i. weloverlegde bezadigdheid.
In reg. 238:
boeten
wordt, trots Franck, vastgehouden, ofschoon aarzelend,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce