156
gemoed valt tenminste voor een oogenblik een straal van het goddelijk licht, waarbij
de geloovige een voor ons anderen onzichtbare wereld van liefde en vrede ontwaart.
II.
Dat is de macht der kunst, zeiden we boven. Een groot woord, dat in zijne
algemeenheid voor menigeen even weinig zegt, als honderduizend gulden voor een
kind. Hij verlangt klinkende munt in de plaats van zulk eene kasaanwijzing, zoo ze
door hem niet tot de waardelooze assignaten zal geteld worden. Laat ons daarom
beproeven, of we hem er kleingeld voor kunnen geven, maar er tot geruststelling
van den lezer bijvoegen, dat wij - waarom is onze voorraad zilver toch niet grooter?
- noch alles zullen, noch alles kunnen uitbetalen. Waarin de kunst van den dichter
bestaat, is niet zoo gemakkelijk gezegd, en wij zullen tevree moeten wezen, zoo wij
althans op enkele middelen kunnen wijzen, waardoor de dichter die of die uitwerking
bij ons teweegbrengt. Geven we ons daartoe eerst eens rekenschap van de zaken,
waarnaar dient gekeken te worden. Deze aansporing schijnt haast overbodig,
aangezien immers de dichter voor zijne kunstgewrochten dezelfde stof bezigt,
waarmee ook alle andere menschen werken: de taal. Doch het is ook niet meer dan
schijn. Beeldhouwer en steenbakker, beiden modelleeren in klei, maar hoe weinig
weet de laatste van de geheimen des eersten. Wij gewone menschen werken allen
‘in de taal’, doch hoevelen, of liever hoe weinigen weten, hoe men daaruit
kunstwerken kneedt, en hoe oneindig lutteler nog is 't getal van hen, die zelf daarnit
iets moois kunnen formeeren?
Zooals gezegd is, de dichter komt daarin met den onbehouwensten kinkel overeen,
dat hij ter uiting van 't geen er in hem omgaat zich in de eerste plaats bedient van
woorden, tot zinnen samengevoegd. Slechts heeft hij er meer tot zijne
beschikking, zoodat hij naar omstandigheden kan kiezen, en voorts is het kleed
zijner gedachten niet altijd van denzelfden snit. Dit is reeds een belangrijk verschil,
doch er zijn nog andere. Hij beschikt immers over middelen, waarom het proza van
het dagelijksch leven zich in zijne haast zelden bekommert, en over andere, waarvan
het zich nooit bedienen kan: hij houdt rekening met den eigenaardigen klank der
woorden, met de regelmatige afwisseling van klemtonen, welke wij maat noemen,
met de beteekenis en het streelende van het rijm, met het effect van oneigenlijke
uitdrukkingen als daar zijn: metaphoren, allegorieën, metonymia's,
personificatie's enz. Op al deze zaken hebben we te letten, wanneer we ons
rekenschap willen geven van den indruk, dien een zeker gedicht op ons maakt. Op
meer nog, maar waarschijnlijk is het goed dezen keer ons tot de genoemde te
beperken en geene verwarring te stichten, door nog andere over de baan te halen.
Eer we ons evenwel in bijzonderheden met den vorm van ons gedicht
bezighouden, wensch ik voor een mogelijk misverstand te waarschuwen, waartoe
mijne behandeling en sommige woorden aanleiding konden geven. Wij spreken
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce