152
Het voorgaande kan het ons leeren.
De indruk, dien eenig kunstwerk op ons maakt, is afhankelijk èn van 't geen het
ons onmiddellijk geeft, èn van de voorstellingen, die het bij ons opwekt. Hoe rijker
schat van beelden en gewaarwordingen onze herinnering bewaart, hoe gemakkelijker
het den dichter valt, ons te laten zien, wat hij ziet, ons te laten gevoelen, wat hij
gevoelt. Een enkel gelukkig beeld, een woord, een klank misschien, en onze
phantasie schiet vleugelen aan; onbekende gestalten doemen op voor ons oog,
krijgen vorm en kleur, voelen en denken, willen en handelen. Zoo nieuw komt ons
alles voor, dat we vergeten, hoevele van die lijnen en tinten, gedachten en gevoelens
van ons zelf zijn, hoe die wezens eigenlijk leven van ons bloed en geest zijn van
onzen geest. Want de stof, waaruit het scheppingswoord des dichters ze formeerde,
lag reeds in ons. Maar anders wordt het, als de schatkamer van het geheugen
slechts karig is voorzien, en onze geest dien des dichters niet helpend te gemoet
treedt en dus bijna alle kracht uitsluitend van éénen kant moet komen. Dan wordt
de taak van den kunstenaar aanmerkelijk zwaarder, hij moet nu voor stof en weefsel
beide zorgen.
Denk slechts eens na, op hoe weinig voorhanden voorstellingen de schrijver kan
rekenen, die ons iets uit de tiende eeuw wil verhalen, hoe veel moeite het hem moet
kosten ze ons te geven, te geven zonder dat hij ons verveelt of aan eene privaatles
in de historie doet denken. En hoe oneindig grooter moet niet de kunst zijn, die ons
binnenleidt, in het innerlijke leven dier tijden, met andere meeningen en
vooroordeelen, indrukken en neigingen! Ongewone situaties, afwijkende
zielstoestanden en psychologische processen stellen hoogere eischen aan het
talent, dan het aan allen vertrouwde huiselijk leven met zijne meestal primitieve
gewaarwordingen van gezellige binnenkamers, echtelijk lief en leed, kinderlijk
gekibbel, geboorte, ziekte en dood. Is 't wonder, dat de huiselijke poëzie, die bijna
allen toegankelijk is, een weinig in discrediet is geraakt en men geneigd is, den
hoogsten prijs toe te kennen aan hem, wien het gelukt, gestalten te scheppen en
gewaarwordingen te wekken, zooals er slechts op den bodem eener hoogere
geestelijke beschaving kunnen ontkiemen? Erkentelijk zijn we den man, die ons het
eigen leven als het ware nog eens, maar in gecondenseerden vorm doet leven;
doch dankbaarder zijn we hem, die het ons bovendien verruimt, verfijnt en verdiept.
Maar zal hem dit altijd mogelijk zijn? Laat ons eens zien en daartoe tot ons versje
terugkeeren. Waar Da Costa ons den angst en de wanhoop der ouders teekent over
de ziekte en den dood van hunnen lieveling, is hij zeker van de sympathie eener
zeer breede schare. Doch hij vraagt meer. Die twee eerste coupletten zijn slechts
het voorportaal van de gewijde kapel. In het derde ligt - om nog even aan onze
aanvangsvergelijking te herinneren - het vruchtbeginsel onzer bloem. Het is de
gedachte, dat eene oneindige liefde zich over kind en ouders erbarmd heeft en
slechts de kortzichtige, zelfzuchtige mensch klaagt over de weeën, waarin een
hemelsch, onbe-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce