
312
lijkt het erg geleerd; nu, dan mag men er wat meer op studeeren.
Alleen; er had wel wat in kunnen gezegd over de consonanten, die Friezen in
‘doo
d
’ etc. laten hooren; en Hollanders in ‘ba
k
boord’ uitspreken.
1)
Zijn deze van
dezelfde soort? ‘De
d
in “dood”, etc. laat de Fries hooren als een
d
, die in
t
eindigt’
(Logeman). En dan, waar hoort men wat over de ‘glides?’ Zie nu Cosijn in
Taal
en Letteren
II, 237.
Minder goed is de Flexie geslaagd. Daar heeft men 't voor 't nieuw nederlandsch
alleen over de schrijftaal; zoodat men in dat ‘boek’ feitelijk een andere stof onder
handen heeft als bij de Phonologie.
Voorop gaan Voorbereidende Begrippen. Daarin o.m. dat de nederlandsche
schrijftaal als laatsten grondslag het Hollandsch heeft, wat na 't artikel van Muller
in
Taal en Letteren
I, wel niet heelemaal juist is. Dan heeft men nog een ‘boek’ over
Prosodia, waar de klemtoon vrij goed, de poëtiek ouwerwetsch behandeld zijn; daar
had van de germaansche versleer moeten uitgegaan; wat moet ook al dat latijn?
2)
.
Enkele opmerkingen nog.
Is ‘gemaal’ uit ‘mahal’? Het heet aan 't hd. ontleend; dit had er bij moeten staan.
Maar is het zoo? Vgl. Verdam, Mndl. Wdb. II, 1309. Uit *madel kon het in 't
nederlandsch ook worden evenals ‘aal(t)’ uit *adel, (vgl. adellijk). Is ‘gek’ (blz. 18),
‘geniep’ (blz. 20) friesch? Heeft het woord ‘Fries’ een oorgerm.
ê
? Waarom is ‘leit’
naast ‘ligt’ niet verklaard? Vanwaar de
o
in ‘avond’? Als toonlooze klinker staat voor
-
m
ook -
e
-, vgl. ‘Haarlem’; ‘khem, khem’, als interjectie! Bovendien, is de
u
voor
w
toonloos? Is
sj
in ‘sjouwen’ (blz. 39) uit germ.
s
? Heet in ‘bracht’, ‘docht’, etc. (blz.
27) deze ongeumlaute vorm nog ‘Rück-umlaut’? Is op blz. 42 niet te veel met de
spelling gerekend?
Volgens de schrijver wordt de ‘Saxon genitive’ ‘alleen gebruikt om den bezitter
aan te duiden, als die voorgesteld wordt door een persoonsnaam, niet door een
bijvoeglijk woord of slechts door een possessief vergezeld’. Maar men zegt toch:
wie's hond; de dieë's; mijn goeie moeders graf; ‘rijke lui's ziekten en armelui's
pannekoeken stinken ver’; keizer Karels hond. En men zegt algemeen in 't
beschaafde spreek-nederlandsch: wie-zijn hond; mijn goeie moeder-der graf;
Cats-zijn opmerkingsgave; Loots-zijn gedichten (Beets). Dit ‘zijn’ als zĕn (sĕn)
uitgesproken. Waarom brengt de schrijver hier niet mee in verband de gen. ‘wiesen
boek’, op bladz. 50? De verklaring, hoe deze gen.
s
ontstaan zou wezen, acht ik
geheel verkeerd.
Naar de klankleer vooral kan men veel in onze gewone spraakkunsten verbeteren,
zoolang ten minste nog van-buiten-leerderij van dergelijke historische grammatica
noodig wordt geacht voor lui van 't lager onderwijs. De onderwijzer kan bijkans overal
zeggen: wat in deze ‘Schets’ van mijn spraakleer afwijkt, dat is juist; wat er mee
overeenkomt, kan mogelijk richtig wezen, maar daar heeft hij weinig zekerheid van.
Want naast vele goede zaken, bevat die schets nog vrij wat dat niet te zeker is. Met
dat al is 't een goed begin.
B.H.
1) De
k
zou in ‘zakboek’, etc. als g (fra.
g-dur
) klinken. Dit is wel bij Friezen het geval, die trouwens
die
g
ook in ‘wegen’, ‘morgen’, etc. uitspreken. Zie daarentegen Cosijn, op de aangeh. blz.
Ik spreek ook die ‘
k
’ in za
k
doek, etc., meestal, mogelijk altijd; trouwens in mijn nederlandsch
spreek ik in ‘wegen’, etc. ook de zachte spirant.
2) De nieuwe wijze van grieksch-latijnsche scansie op blz. 10: een hexameter voortaan auftaktisch
te willen skandeeren, waardoor ze dan door de caesuur, in twee mooie hemistichen vallen
zonder dat een voet in tweeën wordt gekapt, is alvast niet waar voor verzen, die katà tríton
trochaĩon de caesuur hebben Lees eens: ‘ ndra moi nnepe Moũsa’, etc. op die manier.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce