265
vs. 25-27. De Moffenheer was een likkebroêr en zijn neus, in overeenstemming
daarmee, vurig-rood. Daarom laat P. het kille zeewater lust krijgen zich aan dat
opgeblazen, gloeiende gezicht te verwarmen. Als het dit dan ook bedekt, hoort men
een sissend geluid, als wanneer er water op eene gloeiende plaat valt.
vs. 27.
overdolf:
‘overdekte’.
Delven
is eigenlijk ‘graven’, maar evenals men bij
bedelven
‘begraven’ niet meer aan de werking ‘graven’ denkt, maar aan hetgeen
er mee gepaard gaat, namelijk ‘bedekken, overdekken’ bijv. in: ‘hij is onder de
puinhoopen, onder de sneeuw bedolven’, zoo heeft
overdélven
de bet. gekregen
van ‘overdékken’.
vs. 28.
een golf nam hem in de armen
, d.i. omhelsde hem, plaste met geweld
over hem heen.
vs. 29.
oef
, een bij P. meermalen voorkomend tusschenwerpsel van schrik:
ai!
hè!
vs. 30.
bleek te bros voor zulk een stoot
. Wat bros is, breekt licht. Brak nu ook de
neus van den Moffenheer? Neen, maar hij vloog, door de ‘forsche’ beweging van
de golf met den neus tegen den rand van den zeilwagen, zoodat dit lichaamsdeel
gekneusd werd.
vs. 32. Hij reet, scheurde zijn' handschoen los van angst en woede; vgl. vs. 18.
vs. 34.
blaffen of bijten
. Blaffende honden bijten niet, zegt het spreekwoord en
men bedoelt daarmede: Menschen, die spoedig in drift opstuiven, zijn nog zoo
kwaad niet; hun toorn is spoedig bedaard en aan hunne bedreigingen geven ze
gewoonlijk geen gevolg. De admirant wist nu eerst niet recht, of hij blaffen zou of
bijten. Daar het laatste hier echter niet ging, vergenoegde hij zich maar met het
eerste.
vs. 37.
de sik zijns kins:
de puntbaard, dien de toenmalige Spaansche mode
voorschreef. Het strijken bewijst zijne ingehouden woede.
vs. 38. ‘Zeker zal dat ernstige gevolgen hebben’. Zegswijze, die haar ontstaan te
danken heeft aan de groote onevenredigheid tusschen den omvang van het diertje
en zijn' langen staart: eene schijnbaar nietige zaak, wil zij eigenlijk zeggen, zal zeer
onaangename gevolgen na zich sleepen.
vs. 39.
zijn bleekheid
, meton. voor ‘de bleek-ziende’. Zoo spreekt men ook van:
zijne kleinheid
,
dikheid
,
lankheid
, enz. en gelijke overnoeming heeft plaats bij titels
als:
zijne majesteit
,
hoogheid
,
doorluchtigheid
, enz.
vs. 40.
Sante Madre:
Heilige Moeder (Gods).
vs. 44.
met blaauwe veeren:
blauw was de kleur der Tudors; lord Gray droeg dus,
naar ridderlijk gebruik, de kleur zijner dame en hij snoefde daarop sinds twintig jaar.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce