260klissen (Bij de -)
262knevelen
102koppelteeken
228kruid = poeder
371kussen (Op 't -)
227, 369
kwant (quant): XVII
e
eeuwsch.
125
kwartieren: XVII
e
eeuwsch
263kwast: persoonsnaam
259, 361
kweelen: XVII
e
eeuwsch
219, 342Laai: als adjectief
280laat ons - laten wij
318laat-we: laten we
228lansert
228lansk
279-281laten (Constructie met -).
280laten zien (Iets -) aan
304, 305latinisme
339leidsel
306letterteeken en letterklank
350-1, 354levende taal: dàt moet gedoceerd
277lichtmis
220, 263lidwoord (Weglating van 't -)
197, 296, 299, 257lidwoord
201lidwoord (Onverb. -) bij dichters
337-lief: als bijna-suffix
224lier en luit
298-299, 338, 344-lijk (achtervoegsel)
276linksch en slinksch
165litanie
336loopskute
225, 374luchten = lichten
267luiden
271luwte: bij Potgieter
187Maken: als koppelwerkw
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce