237
dr. B. opgemerkte inconsequentie. Maar ik moet nog iets verder gaan dan mijn
welwillende beoordeelaar en op § 37,
d
wijzen, omdat de
g
in
bakboord
ook door
anderen, en zelfs door dr. B., verkeerd wordt opgevat. Donders gaf er aanleiding
toe; in § 32 van zijn
Physiologie der Spraakklanken
lezen we: ‘de weeke van k (de
g, vóór a, o en u in 't Fransch) komt niet zelfstandig voor en heeft daarom geen
bijzonder letterteeken, maar wordt toch gehoord telkens wanneer op k een b of d
volgt (
bakboord
,
likdoorn
,
ik doe
,
ik ben
.)’ Ik geloof dat de groote physioloog hier
dwaalt: althans naar
mijne
uitspraak houdt de stemklank in genoemde woorden op
na de vocaal om weer gehoord te worden bij de vorming der volgende media. We
hebben hier dus niet de
media
, maar de
lenis
, de stemtoonlooze zachte
k
, in afwijking
van het Fransch. De Heer Boer zal mij misschien antwoorden, dat hij, zoo hij in
klankphysiologische questies dwaalt, dit op eigen gezag doet en van de werken van
Donders, Sievers, Sweet, Land en anderen weinig of geen kennis genomen heeft.
Ik geloof dit gaarne, omdat wat door hem pg. 98-100 over de Tweeklanken
geschreven is, zonneklaar bewijst dat hij op het gebied der klankleer zich niet de
groote kennis verworven heeft, die we in zijne opstellen over de Oudnoordsche Taal
en Letteren plegen te bewonderen. Dit is zelfs te meer te betreuren, omdat hij op
eigen wieken drijvende en zijn eigen waarnemingen weergevende een onmiskenbaar
talent voor die moeilijke wetenschap verraadt, maar helaas op dwaalwegen geraakt
is, die hem voorloopig minder geschikt maken om onderwijzers en leeken voor te
lichten. Of de
ei
,
ij
,
ui
,
au
,
ou
tweeklanken zijn of niet, daarover debatteert men niet:
op zijn hoogst kan men het oneens zijn over de vraag, of Sweet's beschouwing over
de diphthongen, als samengesteld uit een klinker plus een gereduceerden klinker,
ook voor het Nederlandsch geldt. Ik geloof van wel. Wanneer Van Helten § 7 (volgens
Boer, ik kan de plaats niet verifieeren) ‘de zoogenaamde lange of gerekte
tweeklanken’ verwerpt, sta ik niet aan zijne zijde:
aai
heeft evengoed een gerekte
a
als
aak
. Wat de interjectie
ai
aangaat, die heeft inderdaad een dubbele uitspraak:
ai
of
ajjj
. Menigeen zal er waarschijnlijk vreemd van ophooren als hij verneemt, dat
zee
,
zeel
, enz.
zoo
,
zoop
enz. tweeklanken bevatten:
zeei(l)
en
zoou(p)
. Toch is het
zoo. Maar de overgangsklinker, de
gliding-vowel
, hier de
naslag
, valt zoo weinig
ins
Gehör
, dat men dien als oneindig klein = nul opvat, schoon ten onrechte. In weinig
talen hebben de overgangsklinkers zulk een
carrière
gemaakt als in het
Angelsaksisch: ze werden zóó duidelijk uitgesproken, dat ze als tweede componenten
van
korte
tweeklanken werden geschreven. Ook de zoogenaamde
breking
in het
Oudnoordsch, waarover zie Norreen § 83 vlg., berust op geen ander beginsel.
Dergelijke overgangsklanken weten zich soms duchtig te weren, teren op kosten
van de organische vocaal, kleuren die, ja stooten die wel eens
sans gêne
uit. Het
eindresultaat van zulk een proces noemt met dan ‘klinkerverandering van
x
in
y
.’
Aarde
uit
erde
,
baard
uit
bard
,
woud
uit
wold
enz. De verklaring levert alleen de
phonetiek; in den regel maakt men het zich gemaklijk en blijft men bij het
constateeren. Of dit wetenschappelijk is? Geïsoleerde klinkers, pure vocalen, komen
zeer weinig voor. In den regel worden ze begeleid door een voor- en een naslag of
liever door een geheele reeks van voor- en naslagen, zoo fijn en ingewikkeld dat
het menschelijk oor alleen de grofste tinten onderscheiden kan. Bij elke verandering
van den mondstand, dus vóór en na klinkers, ontwikkelen zich die ‘parasieten.’ Zou
men inderdaad meenen, dat b.v.
aap
alleen uit een gerekte
a
en een
p
bestaat?
Ja? dan dwaalt men schromelijk. Toch beweert niemand dat hier een echte tweeklank
aanwezig is: de naslag wordt daartoe niet distinct genoeg uitgesproken.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce