Engel IB144 Uživatelský manuál Strana 343

  • Stažení
  • Přidat do mých příruček
  • Tisk
  • Strana
    / 440
  • Tabulka s obsahem
  • KNIHY
  • Hodnocené. / 5. Na základě hodnocení zákazníků
Zobrazit stránku 342
288
king voor als tijdelijke eigenschap; het
gezegd hebben
wordt dus hier voorgesteld
als tijdelijke eigenschap van het onderwerp
hij;
het wordt hier dus als naamwoordelijk
praedicaat aan
hij
toegekend; het vormt hier bij
hij
eene praedicatieve bepaling.
Juist omdat de zoogenaamde beknopte bijzinnen
zindeelen
zijn, die door een bijzin
kunnen worden
vervangen
, is voor hen in deze wijze van beschouwen geen plaats.
Wie zich alleen bezighoudt met de wijze van voorstellen, beschouwt een zindeel
als zindeel en vervangt het niet door een bijzin; die let op den
vorm
, waarin dat
zindeel is uitgedrukt, en tracht zich rekenschap te geven van de betrekking, die door
dien vorm wordt aangewezen. Dat dit laatste soms zeer moeielijk is, zal ik volstrekt
niet ontkennen; maar dat men alleen van dit standpunt er ooit toe zal kunnen
geraken, bestaande moeielijkheden te verklaren, geloof ik stellig. De andere methode
toch beschouwt die moeielijkheden niet, maar vermijdt ze door vervanging, wat m.i.
nooit tot oplossing kan leiden. Ten opzichte van tal van andere deelen der
zinsontleding zou dit verschil in standpunt nog kunnen worden uiteengezet; maar
aangezien die niet te maken hebben met praedicatieve bepalingen of beknopte
bijzinnen, is het hier de plaats niet, zulks uitvoerig aan te toonen.
We letten bij de ontleding hier dus alleen op de wijze van voorstellen en dan
behooren de hier voorkomende adjectieven en deelwoorden tot de praedicatieve
bepalingen en kan verder de betrekking, die door den spreker bedoeld wordt
tusschen de toekenning van het praedicaatswoord en die van het gezegde in den
zin aan hetzelfde onderwerp, langs den weg van redeneering worden verklaard.
Die betrekking kan nog van geheel anderen aard zijn. Vooreerst kan de koppeling
tusschen onderwerp en gezegde in den zin, dus de uitgedrukte koppeling, afhankelijk
gesteld worden van de niet uitgedrukte koppeling tusschen onderwerp en
praedicatieve bepaling, zooals b.v. in:
naar het uiterlijke oordeelende
,
moet ik zeggen
,
dat hij mij wel aanstaat; eenmaal bij de beurs gekomen
,
kan ik den weg naar het
station zelf wel vinden; op een grooten afstand gezien schijnen ons de voorwerpen
veel kleiner toe
. In deze zinnen wordt het
al of niet moeten zeggen
afhankelijk gesteld
van het
al of niet naar het uiterlijk oordeelen
; het
al of niet kunnen vinden
van het
al of niet bij de beurs gekomen zijn
; het
al of niet kleiner toeschijnen
van het
al of
niet op een grooten afstand gezien zijn
. Men ziet aanstonds, dat deze betrekking
dezelfde is als die tusschen een voorwaardelijken bijzin en den hoofdzin; reden,
waarom deze praedicaatswoorden wel eens gerekend worden tot de beknopte
voorwaardelijke bijzinnen. Dat wij dit hier niet doen, volgt uit hetgeen over den
beknopten bijzin hierboven is gezegd.
Eene andere betrekking is in zooverre met de pas beschouwde verwant, dat we
hierbij ook te letten hebben op den invloed der niet uitgedrukte koppeling der
praedicatieve bepaling op de uitgedrukte koppeling in den zin. Nu echter is er van
afhangen geen. sprake; de praedicatieve bepaling wordt hier gegeven, om
uitdrukkelijk te kennen te geven, dat hare koppeling niets ver-
Taal en Letteren. Jaargang 2
Zobrazit stránku 342
1 2 ... 338 339 340 341 342 343 344 345 346 347 348 ... 439 440

Komentáře k této Příručce

Žádné komentáře