
302
zonde van zijn moeder:
in de XVII
de
eeuw hadden ze hier gezegd:
de moederlijke
zonde
, met ‘moederlijk’ als zuivere genitief van
moeder; moeder
- en
moederlijk
zijn
hier =
van Hagar
. Op drie manieren vinden we zoo den
genitief
uitgedrukt: vgl. ook
naast
vadernaam
in 43:
den naam van vader
en
den vaderlijken naam;
in 53:
twist
van broeders
=
broedertwist;
vgl. Aant. 44.
51.
herhaalt zich:
niet ‘wordt herhaald’ want het gaat onwillekeurig, van-zelf: vgl.
‘de deur opent zich’ met ‘de deur wordt geopend’, ‘het kwaad straft zich-zelf’ met
‘het kwaad wordt gestraft’. In zijn eigen stellen denke men aan dat onderscheid
tusschen passieve en reflexieve constructie. -
Versch
is ‘nieuw’, maar met de
gedachte aan den toestand, het
aanzien
van een nieuwe, pas-geslagen wond; vgl.
T. en Lett.
I, pag. 174, Aant. 115.
55-57.
tentgordijn:
voor ‘tent’, als
kiel
voor ‘schip’ e.d. - ‘
De
gordijn’ is het oorspr.
geslacht, door ‘
het
gordijn’ steeds meer verdrongen en daardoor, als min alledaagsch,
een lievelingsvorm van dichters en redenaars. Het is een kenmerk van de taal der
hoogere woordkunst, dat zij gaarne oudere vormen gebruikt: die zijn ongemeen:
zoo
de
ure,
den
oogenblik,
de
getuigenis. Op deze voorkeur, die b.v. ook uitkomt
in de keus van den meervoudsuitgang -
en
boven -
s
, lette men steeds. - Opmerkelijk
is de symmetrische rangschikking der deelen in 54-56: in den eersten zin gaat het
voorwerp aan het gezegde vooraf, in den tweeden (
noch
[
gedoogt zij
]
binnen haar
plooien deze twee
) volgt het voorwerp: juist door deze schikking komen die
voorwerpen (Sara en Hagar, Izak en Ismaël) krachtig naar voren. Iets dergelijks is
er in de rangschikking der bijstellingen in 57: abba. -
schoon spruiten etc.:
beknopte
zin.
Vierde strophe (58-74).
Wanneer de lezer deze nieuwe strophe wederom vindt ingeleid met een
De moeder
Ismaëls!
en, thans vooruitziende, het telkenmàle herhaald vindt en daarbij indachtig
wordt, dat Da Costa's oog telkens moet weerkeeren tot de voorstelling van die
ellendige vrouw te midden der zandwoestijnen, dan zal hij op het denkbeeld komen,
dat die herhaling
in het plan
van het gedicht nog een andere bedoeling heeft, dan
ontboezeming te zijn. Bij die ontboezeming wendt de dichter zich weer tot dat beeld
van verlatenheid en de lezer wordt weder bepaald bij het in strophe II
aanschouwde.
Het gedicht
blijft
in betrekking tot dat beeld en zoo treft ons altijd op nieuw weer het
contrast
van Hagar's oorspronkelijke kleinheid en geringheid en haar heerlijke
toekomst; van de beteekenis van het Arabische woestijnvolk in de geschiedenis en
zijn verborgen begin in Hagar. De tòòn nu waarop de dichter aan
de moeder Ismaëls
herinnert, is natuurlijk de uiting van zijn telkens
wisselende
stemming. In het eerste
De moeder Ismaëls
moest een groot medelijden trillen: een zware klemtoon op
De:
Dè-m der-Ismaëls. Doch wij weten nu dat Hagar is weergekeerd en Da Costa heeft
het gezegd: Zij
is
Vorstin als Sara. En wel is zij andermaal uitgeworpen, maar straks
verstooien zich de onheilswolken: deze
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce