5
hem geopenbaard door dichterlijke intuïtie. De Roman wordt dan de illustratie dier
stelling, een plaatje, niet voor alle volwassen menschen. Is Van Lennep op deze
wijze te werk gegaan? Wij voor ons gelooven, dat het plaatje eerst werd geteekend
en gekleurd, om daarna in het ‘wachten en stil zitten’ een niet ongepast onderschrift
te vinden. Voor het boek komt het, helaas! op hetzelfde neer. De jaren 1830-1840
waren het overgangstijdperk der Nederlandsche Romantiek; de Roos van Dekama
is van 1836 en draagt de kenteekenen van zijn tijd.
De Gids
toonde in zijn recensie
aan, welk een kloof er gaapte tusschen het onnationale verhaal uit de dagen van
Willem IV, den Henegouwer, en de overtuiging van het tijdschrift-zelve, dat een
voorwaarde eener oorspronkelijke litteratuur in het nationaliteitsbewustzijn van den
kunstenaar gelegen was. Behalve door dit te flauw besef van het eigenlijke
Nederlandsche, verraadt de roman zijn samenhang met het tijdvak van 1830 door
zijn verwantschap met de levenswijsheid, waarvan Van der Palm de ideale
vertegenwoordiger mocht heeten. Wij behoeven haar niet met fijne trekken te
karakteriseeren. Ons volk zat uit te rusten. De vermoeienis was zoo groot geweest,
dat men eensgezind besloten had, vooreerst gezellig en stil thuis te blijven. Het was
een zeer zoete rust in het nette huisgezin. Iedereen bijna was er volmaakt tevreden.
Tevredenheid werd het kenmerk van elk behoorlijk mensch. Knorrigheid werd
menschonteerend. God is goed en de menschen zijn zijne kinderen; hoe kunnen
de kinderen van zulk een vader, bij een weinig nadenken, absoluut slecht zijn! Het
was er niet ondegelijk; er tierden velerlei deugden en deugdjes. Evenals in zekere
respectabele huisgezinnen in den gezeten burgerstand, waar vader en moeder bij
instinct vijanden van Socrates en het nasporen van den oorsprong onzer begrippen
zijn, maar tevens stevige zuilen, onder vriendelijk klimop verborgen, van welvaart
en orde. Gelijk echter bij de kinderen in zulke ordelijke en ordentelijke huishoudens
groot geworden, trok niemands hart naar 't geen er buiten den meetkunstig bepaalden
cirkel lag. Men was hoegenaamd niet romantisch; geenerlei verlangen naar 't
onbekende; traditie en autoriteit waren, anders dan in onzen tijd, woorden van
goeden klank. Den Catechismus der middelmaat te beleven viel niet moeielijk; geen
wonder dat men zijn kalme levenstaak als de vervulling eener plichtenleer opvatte.
Het achttiendeëeuwsch besef der menschelijke voortreffelijkheid getuigde nog
krachtig. Hoe kon de goede mensch anders dan goed zijn: ergo was hij zich-zelf
ten voorbeeld en hij had slechts zonder opwinding en overspanning te leven, om
op de natuurlijkste wijze in den hemel te komen. Inderdaad laat zich de gansche
toenmalige levenswijsheid als in
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce