320
spreektaal geen verschil maakt tusschen ‘klink’ en ‘klinkt’ in den imperatief
1)
: men
hoort, uit den mond van beschaafden - niet in de volksdialecten bedoel ik - even
goed: geef 'em maar, als ‘geeft 'em maar’; ‘doet 'et maar’, even vaak als ‘doe 'et
maar!’
Ook hier zijn er van-zelfs weer analogie-formaties bij; evenals in: wij met
z'n
drieën.
Zoo is 't niet uit te maken, of uit een syntaxiaal verband dan wel naar analogie
ontstaan is
2)
, soortgelijke als: een
bedil-al
(
les
); die
spring-in-'t-veld
,
sta-in-den-weg
,
een
vergeet-mij-nietje
, het kruidje
roer-mij-niet
, enz.
3)
4. Uit: de, die, wat voor (etc.) hooge school, kon moeielijk anders een koppeling,
een samenstelling worden dan de ‘hoog
e
-school’. Zoo uit: een, wat, die (etc.) zoute
visch, niet wel anders dan ‘zout
e
visch’.
Maar naast: het hooge lied, staat een hoog lied; naast: een groot zeil, het groote
zeil. Daar konden dus èn ‘hooge-lied’, en ‘hoog-lied’; ‘groot-zeil’, en ‘groote-zeil’; en
zoo: ‘lage-land’ en ‘laag-land’, en tal van dubbelvormen uit ontstaan. Alleen, men
zegt van ‘groot-zeil’, van ‘laag-land’, van ‘jong-gezel’; - maar van ‘hooge-lied’ en
‘hoog-lied’; en altijd van ‘hooge-priester’. Toch komt in de samenstelling meest het
eerste lid zonder -
e
voor; daar werkte bij onzijdige woorden zeker toe mee dat na
‘een’ moeielijk de vorm op -
e
(een groote zeil, een hoog
e
lied) kan komen. Dan gaf
in het syntaxiaal verband de onverbogen vorm iets eigenaardigs aan het adjectief
met zijn substantief; het karakteriseerde beiden meer tot een eenheid; en daardoor
kwam het vooral dat in de samenstelling het eerste lid geen -
e
had
4)
.
En naar analogie, maakte men een massa anderen op dezelfde manier;
1) In 't Saksische Nederland is de imperatief op -
t
regel. In Holland-zelf die zonder -
t
, enkel- en
meervoud; ook ‘doen 'et maar’!
Vgl. ook het mnederl, bij Stoett, II, § 509.
2) Zelfs historisch moeielijk. Als Staring zegt: ‘
loop naar de pomp
, en drinkt u nuchteren, kwast’
- dan lijkt men de verklaring van 't spreekwoord te hebben - als Staring namelijk de tweede
helft uit z'n-eigen er niet bij plaatste
om
de eerste te verklaren. Zoo kunnen ook bij schrijvers,
imperativi als boven genoemd, voorkomen, voor 't eerst; maar die zij allen hebben
neergeschreven om voor zichzelf de samenstelling te verklaren. Dan kan 't nóg ten slotte
analogie-formatie wezen - maar voor die schrijver was 't
re
generatie; omdat elk telkens weer
de woorden op nieuw vormt.
3) Op deze vorming is, meen 'k, nog niet gewezen. Mij dunkt dat ze er ook vroeger geweest is.
- Over 't ontstaan van andere die in vorm hiermee overeenkomen, in vroeger tijd; beneden,
blz. 326, noot.
4) Vergelijk in het middelnederlandsch al: jonc-heer, jonc-vrou, jonc-wijf, jone-man, arm-man.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce