275
van kinde groot
luidt een bekende versregel in den bekenden rei van Hoofts Baeto
en bij Heye:
Wie door 't leven wil voeteeren
, enz.
vs. 105.
lenen:
het overlenen naar links en rechts bij het rijden.
vs. 106.
weelderig wel
. De klanken duiden hier reeds 't genot aan: weelderig
heerlijk!
vs. 107-110. Men lette op de fraaie wijze, waarop P. het snelle rijden
aanschouwelijk maakt. Eerst kunnen zij den molen in de grauwe winterlucht nog
niet onderscheiden; nu wordt hij zichtbaar; daar zijn ze hem op zij; reeds ligt hij lang
achter hen.
vs. 111.
schriller
. Nog sneller ging het, zóó, dat Klaertjen zelfs wat angstig werd,
maar Flip wou, zoodra mogelijk, bij de boomen zijn.
vs. 120.
ligten:
‘opheffen en daardoor uit zijne hand losmaken’. -
op sleep;
was 't
een bootje geweest, P. zou gezegd hebben:
op sleeptouw
, een spoorwagen:
op
sleepstang
, als
Proza
II, 230: ‘
Gesprekken op sleepstang van een locomotief
,
wie
denkt er aan?
hier is
op sleep
eigenlijk:
op sleephand
.
vs. 124-125.
Voor kunstjes
(schenkt ge mij dan)
uw gunstjes
, de kunstjes nl. die
hij op zijne schaatsen zal uitvoeren.
vs. 127-128. Steeds hard rijdende komen ze op de eenzame plek en nu Flip het
doel van den tocht heeft bereikt, wijlen, toeven ze daar en als hij haar warm heeft
ingestopt, begint hij zijne kunststukken (vs. 134-135).
vs. 138.
fraaijer geen draaijer:
‘niemand, die mooier draaien maakt’;
fraai
drukt
dus eigenlijk de hoedanigheid van de bogen uit, door Flip op het ijs beschreven,
evenals men wel hoort:
eene mooie schrijver
voor ‘iemand, die mooie boeken schrijft’.
vs. 144-145.
pruilen
en
druilen
. Het eerste is: ‘knorrig, gemelijk kijken’, het tweede:
‘zich onnoozel gedragen’. Een
druiloor
is een ‘sukkel, een onnoozele hals’;
druilen
is: ‘half slapen, sluimeren, suffen’. Klaertjen was dus niet boos en ze stelde zich
ook niet onnoozel aan.
vs. 146.
Wat pas het ook gaf
, eig. ‘wat pas het ook zou gegeven hebben’, ‘hoezeer
't haar ook gepast zou hebben’. Met zoo'n vreemden borst alleen op de ijsbaan en
dat terwijl zij Govert en Elze had moeten bewaken!
Het geeft geen pas:
‘Het (de
toestand) brengt geen gepastheid mede’, is in strijd met gepastheid, is ongepast.
vs. 148.
Dat weetje:
‘Dat weetje wel; hou je maar niet dommer dan je bent’.
Klaertjen en Flip zijn elkaar zoo onbekend niet, als het eerst wel scheen. Dat is
reeds gebleken in vs. 94-96 en blijkt nog nader in het voorlaatste couplet. De
aardigheid van Flip, vs. 71-75, was dus maar een voorwendsel geweest, om een
praatje in te leiden.
vs. 151.
eilacie
en
eilaas
, bijvormen van
helaas
.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce