Engel IB144 Uživatelský manuál Strana 372

  • Stažení
  • Přidat do mých příruček
  • Tisk
  • Strana
    / 440
  • Tabulka s obsahem
  • KNIHY
  • Hodnocené. / 5. Na základě hodnocení zákazníků
Zobrazit stránku 371
316
I
Woordvorming
.
1. Elke keer, als men een woord gebruikt, d.i. denkt, of zegt, maakt men dit eigenlijk
op nieuw. Vrijwel onbewust, doet men dit grootendeels op 't geheugen af, zelfs al
zegt men 't een ander na. De vorm en beteekenis van een woord zal ongeveer
hetzelfde wezen als toen men het vroeger op dezelfde wijs gebruikte; en te meer
er mee overeenkomen, naarmate men of zelf het meer
zegt
, of het meer
hoort
bezigen
1)
. Toch is 't niet heelemaal gelijk aan een vroeger keer.
Na verloop van tijd gaat het hoe langer hoe meer verschillen. Zoo zeggen
kleinkinderen de woorden wat anders dan hun grootouders. Natuurlijk is er
wederkeerig napraterij. Daardoor wordt het verschil onder de levenden niet zoo
groot, dat de lui met eenzelfde taal elkaar niet meer verstaan
2)
. Vandaar ook, dat
men het verloop niet opmerkt. En toch loopt het na jaren, al langzamerhand, zoo
uitéen, dat men ten slotte alleen door taalstudie de gelijkheid kan aantoonen.
Maar men herinnert zich niet alleen het woord in zijn vorm en beteekenis van een
vroeger maal; men denkt, onbewust natuurlijk, tegelijkertijd aan vormen en
beteekenissen, die er op
lijken
of er mee
samenhangen
. Dát geeft ook aanleiding
tot veranderingen van het woord. Zelfs is déze herinnering wel eens sterker dan de
indruk, die men van het woord-zelf had. En dan gebeurt dat het vroegere woord of
de vroegere vorm, door een nieuw, geheel of gedeeltelijk, vervangen wordt
3)
.
Eigenlijk zijn er dus groepen van gelijk-klinkende of gelijk-beteekenende woorden
en woorddeelen, die geregeld op mekaar influenceeren.
Nu zijn er ook, die niet tot zoo'n groep hooren: geïsoleerde. Die raken licht verloren;
of ze versteenen; en vormen, wat de grammatica vaak noemt, uitzonderingen,
anomalieën, en wat dies meer zij.
2. Zelden staat een woord op zichzelf. Men spreekt in zinnen. Dan staan de woorden
in syntaxiaal verband. Komen nu twee of meer
1) Dit ‘zeggen’ hoeft natuurlijk niet overluid te wezen. Als men leest, zegt men stil na. Geschreven
zien geeft dus niet; de spraak verandert toch. Het Engelsch werd indertijd, in de latere ME.
ook zoo uitgesproken als men 't nu schrijft; except sommige woorden, naar geleerde
spelvoorschrijverij.
2) Hoe minder conversatie, hoe grooter de verschillen. Dit verklaart hoe dialecten worden.
Daarover wel eens later.
3) Denk maar aan de zoogenoemde volksetymologieën, waar 't nog al heel sterk is.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Zobrazit stránku 371
1 2 ... 367 368 369 370 371 372 373 374 375 376 377 ... 439 440

Komentáře k této Příručce

Žádné komentáře