49
Aangaande de namen van vruchten wordt opgemerkt: ‘In de
Pomologie
van Knoop
komen nog verscheidene namen van appelen en andere vruchten voor, die men
vergeefs in de woordenboeken zoeken zal,
en wier geslacht dus nog niet bepaald
is
.’
1)
Dan worden sommige regels toegepast; o.a. die, volgens welken woorden, die
uitgaan op
ing
,
er
,
erd
,
aard
tot het mannelijk geslacht behooren. ‘Eindelijk, indien
aagt
vrouwelijk is, zal
griet
zulks ook wel moeten wezen.’
In het opstel
Over de Geslachten der Zelfstandige Naamwoorden
, vóór de
Woordenlijst
van de Vries en te Winkel afgedrukt, komen eenige zinsneden voor,
waarop wij de aandacht nog dienen te vestigen. ‘In het manlijke en vrouwelijke
geslacht zijn de 1
e
naamvallen (
de man
,
de vrouw
) uit hunnen aard eensluidend,
terwijl de 4
e
(
den man
,
de vrouw
) door de gewone onderdrukking der
n
achter eene
toonlooze
e
eensluidend worden. Sommige woorden, b.v.
heug
,
meug
, en
luid
, in
de uitdrukkingen
tegen heug en meug
en
naar luid van
, hebben nooit eenig bepalend
woord bij zich, waaruit hun geslacht zou kunnen blijken. Uit een en ander vloeit
voort, dat er woorden zijn, aangaande wier geslacht volstrekt niets bekend is, en
andere, waarvan men slechts weet dat zij niet onzijdig zijn, zoodat men tusschen
manlijk en vrouwelijk te beslissen heeft.
‘Slechts van de woorden, die aangetroffen worden in geschriften uit den tijd, toen
zij nog in het gesprek verbogen werden, kent men het geslacht met zekerheid. Aan
vele, die niet tot deze categorie behooren, hebben woordenboekschrijvers, niet
zelden geheel willekeurig en vandaar soms uiteenloopend, een geslacht toegekend.
Zulke opgaven missen natuurlijk alle gezag en waarde, wanneer zij niet door de
analogie worden gesteund.’....
‘Het verwerpen der verbogen vormen (
honds
,
honde
,
schaaps
,
schape
enz.) en
het onderdrukken der
n
achter de toonlooze
e
der bepalende woorden (
den
,
dezen
,
zijnen
,
goeden
enz.) staat bij woorden, wier geslacht niet van elders blijkt, gelijk met
het overbrengen in het vrouwelijke. Het lijdt dus geen twijfel, dat de hedendaagsche
taal het vrouwelijke geslacht voortrekt. De woordenboekschrijver, die haar geen
geweld aandoen en aan den stijl niet noodeloos een voorkomen van stijfheid geven
wil, volgt dien wenk, wanneer er geene redenen bestaan die zulks verbieden. Daarom
noemen wij b.v. het ter kwader ure uit den vreemde ontleende
halt
vrouwelijk,
niettegenstaande het in de oorspronkelijke taal manlijk is.’
2)
1) t.a. p. 206. De laatste zinsnede door mij gecursiveerd.
2)
Woordenlijst
, blz. XIII en XIV. Door woorden als
halt
en
tram
vrouwelijk te nemen, jaagt men
de stijfheid de voordeur uit; maar alleen, om haar door de achterdeur weer binnen te halen.
Op de vraag: ‘Is de tram al voorbij?’ luidt nu (in de schrijftaal) het antwoord: ‘Ik heb haar
nog niet gezien’!!
R.A.K.
Men kan er over van meening verschillen of de taal het vrouwelijk geslacht voortrekt. Niet de
bepalende woorden met hun
s
en
n
, waar deze reeds gedurende eeuwen bij vele werden
onderdrukt, kunnen m.i. in de eerste plaats aangewezen worden om het geslacht te
onderscheiden. Evenals in het Engelsch moeten de pronomina dezen dienst verrichten, bij
die woorden, welke geen natuurlijk geslacht hebben.
En dan blijkt m.i. duidelijk dat met uitzondering voor de oostelijke provinciën, waar
al
de
stofnamen (dus ook
wijn
, enz.) vrouwelijk zijn, in het beschaafde gesproken nederlandsch
de zaaknamen, en de meeste diernamen mannelijk gebruikt worden; de taal trekt derhalve
eer het mannelijk geslacht voor.
B.H.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce