XIII
222opdokken
190ophemelen
229opperman: operman
375oranje-blanje
369Paai
238palatalen in 't Nederlandsch
275pas (- geven)
268passedijsje: gèèn dans
165peckedraet
165pennelikker
373piet
107Piet Lut
107pietluttig
175pijpen (Naar zijn of zijne -) dansen?
165pillendraaier
228pimpelmees (Bloode -)
258plaatsbepalingen
260planeetlezen
324plé = beste kamer
317, 340, 341, 342pleonasme in de taal
258pluiken
272pluis (Niet -)
301pluralis: kniên
304pluralis: gloriên
346pluralis: in spreektaal zonder singularis
223poen
272prachen
285-286praedicaatswoord (Plaats van 't -)
278-291praedicatieve bepaling (De -)
290-291praedicatieve bepaling met als
287-288, 289praedicatieve bepalingen en bekn.
bijzinnen
223prij
261prik krijgen
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce