297
in plaats van ‘bevat’, om de grootheid en de rijkdom dier beloften: de rijkdom en
heerlijkheid van Abrahams woning komt hierdoor uit.
38.
Wat
is hier onbepaald vnw. -
Geboren wordt:
Tegenw. T. met de onbepaalde
beteekenis van ‘ooit geb. w.’ De Tegenw. T. kan zoo Verleden, Heden en Toekomst
omvatten. Men onthoude dit, daar het niet zelden een aanmerkelijk verschil van zin
geeft, of men een werkw.vorm al dan niet met onbepaalde beteekenis neemt.
Derde strophe (39-57).
De profetie in strophe II verlichtte en verruimde ons. Maar strophe III begint met een
toon van
medelijden:
de dichter weet wat booze dagen er nog in de toekomst liggen
en hij gaat daarvan spreken. In dit
De moeder Israëls!
slaat hij het accoord aan, dat
de stemming vertolkt, die hem bij 't herdenken om Hagars wil vervult; het leidt de
strophe in, die vervolgens door
Maar
in tegenstelling met de blijdschap der beloften
in strophe II wordt gebracht:
andermaal
wordt zij de woestijn ingedreven. In Gen.
XVI, 15 wordt verhaald, dat Hagar Abraham een zoon baarde: dien Ismaël. Doch
de belofte werd hem herhaald, dat Sara zelve hem een zoon schenken zou (Gen.
XVII, 15-22); Ismaël was toen dertien jaar geworden en Abraham zelf negen en
negentig: ‘En aangaande Ismaël heb ik u verhoord, zie, Ik heb hem gezegend, en
zal hem vruchtbaar maken, en hem gansch zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten
zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. - Maar mijn verbond zal
Ik met Izak oprigten, dien u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren
zal.’ In Gen. XVIII vinden wij verhaald, hoe God zijn verzekering herhaalde. Wederom
werd de tijd bepaald (9-15). In Gen. XXI hooren wij dan, hoe de belofte in vervulling
ging: ‘En Sara - baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, ter gezetter tijd,
dien hem God gezegd had. En Abraham noemde den naam zijn zoons - - Izak. En
Abraham was honderd jaren oud, als hem Izak zijn zoon geboren werd’. Ismaël was
nu veertien jaar geworden; een leeftijd had hij daarmee bereikt, waarop de
Oostersche menschen geen kind meer zijn. Sara kan den gehaten, thans de
mededinger van haar eigen zoon, niet meer dulden voor hare oogen. In het
aangehaalde hoofdstuk wordt eenvoudig-mooi verteld, hoe het ging. Sara zeide tot
Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want hij zal met mijn zoon, met
Izak, niet erven. En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van
zijn zoon Ismaël. Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe
oogen, over den jongen, en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen,
hoor naar hare stem, want in Izak zal uw zaad genoemd worden. Doch ik zal ook
den zoon dezer dienstmaagd tot een volk stellen, omdat hij uw zaad is. Toen stond
Abraham des morgens vroeg op, en nam brood, en eene flesch water, en gaf ze
aan Hagar, die leggende op haren schouder: ook gaf hij haar den jongen, en zond
haar weg. En zij ging voort, en dwaalde
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce