32
blaes zijne
r
neuze’,
Job
IV, 9.
Nacht
is vrouwelijk in
Ps.
XIX, 3: ‘ende de nacht aen
de
nacht toont wetenschap’, mannelijk in
Ps.
VI, 7: ‘ick doe mijn bedde
den
gantschen
nacht swemmen’. En met
dag
: De dagh aen
den
dagh stort overvloedighlijck spraeke
uyt’ (
Ps.
XIX, 3); daarentegen
Job
XXXVIII, 23: ‘Dien ick ophoude tot den tijt der
benauwtheijt; tot
de
dagh des strijts, ende der oorloge’.
1)
Enz.
Wanneer het ernstigen, geleerden en nadenkenden mannen niet dan onvolkomen
gelukte, zich voor inconsequentie te vrijwaren in zake verbuiging en
geslachtsbepaling, dan begrijpt men levendig, hoeveel ongerechtigheid wij moeten
aantreffen in de geschriften van hen, die zich weinig of niet hadden toegelegd op
de kennis der Nederlandsche of Hollandsche grammatica. Door de geschriften
hunner voorgangers en tijdgenooten telkens op een dwaalspoor gebracht, te
onzelfstandig om te breken met een wankelend gebruik en uitsluitend hun spreektaal
na te volgen, bedienden zij zich, regelloos en willekeurig, van mannelijke of
vrouwelijke uitgangen, naarmate het hun goeddocht.
Om dit te staven is het geheel overbodig, voorbeelden bij te brengen, waarin wij
verwarring tusschen nomin. en accus. masc. sing. opmerken. Liever wijzen wij
eenige eigenaardige genitieven aan. B.v. bij Rodenburgh:
's maeghdens spiegel; zijns daeds; de smert mijns wonde; zijns liefds; dees
Juffrouwens [
sing
.] bloet; liefdens kracht; deughdens hooghe waerde; teken mijn's
Liefde; 's Vrouw's staet; deses aerde; d'Hertoginnens deur; mijnes smert; - door
twee handens trouw; hare sondens reeckx; de jonge luydens leven; wat 's seven
Zonnens-licht; herte tranens vocht; de Mannens eer; - 's menschs; de Princens
handen; een Princens lent; - hertens-tochten; de wenschen onses herts; wellust
des vleeschs; d'oorsaeck mijns klagen en geween; yder eenens hert; een mijns
knechten enz.
2)
Uit Starter's
Daraide
(1621) teekende ik o.a. aan:
't Hof
des
Coningins; de schildery
des
edelen Dianen; dees Dochter,
dien
ick heb
door u bedrogh ghedraghen; de trotsche Koningin Cleofile, in
wien
ick veel
ghehouden bin;
den
selfden Coningin.
Bij anderen, als Jan van Arp stuiten wij op dergelijke bijzonderheden. In den
Chimon
(1639) lezen wij van een herder:
‘Benevelt is het licht de
r
droeve Celadon’
in den
Tolimond:
‘Athenen sal voor wis gewonnen zijn door 't stael
Der
Victorieusen Graef’.
en in den
Chimon:
‘Ha Goden! wat is dit, mint my de
n
Stief-moer nu?’
Dat we hier niet met een drukfout te doen hebben, mogen wij aannemen, na
vergelijking met dezen regel:
1) Vgl. den brief van A. Moonen in den vierden druk van Hoogstraten's
Lijst der gebruikelijkste
zelfst. naamw.
, blz. 431 en 432.
2) Deze voorbeelden zijn ontleend aan
Sigismund en Manuella
en
Hertoginne Celia
.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce