353
Men vertelt toch ook niet dat ‘schamen’ een afleiding is van ‘schaam’? Of dat ‘gezicht’
bij ‘zien’ hoort?
Trouwens, dat is in een spraakleer ook nergens voor noodig. Daar deelt men b.v.
mee - ik heb geen bepáalde spraakkunst er voor nagezien; ieder kan zelf zijn
exemplaar nazoeken of ze dáar instaan - ‘slaken’ komt van ‘slak’ (slap), dat ook al
verloren is; of ‘woeden’ van ‘woed’; of ‘kwellen’ van ‘kwelen’ - ik vergis me: van de
verleden tijd enkelvoud: ‘kwal’; of ‘galm’ van dito dito van ‘gellen, gillen’
1)
-;
‘sprenkelen’ van ‘springen’ - wie voelt daar nu verband? - ‘zengen’ van ‘zingen’ -
dat heldert op! - of ‘verminken’ van ‘mank’, ‘krenken’ van ‘krank’ - dus ‘mank, krank’
maken? - Of ‘weinig’ bij ‘weenen’! - Of ‘thans’ van ‘te- hand -s’ - dat is zeer duidelijk
-; ‘altoos’ van ‘altoges’, ‘tegen’ uit ‘te- jegen’; ‘omtrent’ uit ‘om 't rond, om den kring’;
‘nopens’ van ‘nopen’, en dit weer van ‘noop’ = priem, scherp gepunt ijzertje; ‘boven’
uit ‘be-oven’; ‘derhalve’ uit ‘“der”, gen. sing. fem. van die + halve = zijde, kant.’
En verder, dat ‘gedrocht’ van ‘bedriegen’ en ‘zucht’ van ‘zuigen’ afgeleid is. En
dat ‘vijand’, ‘heiland’ en 't onmisbare ‘vriend’ deelwoorden van vij-en, heil-en en
vri-en zijn. Dat -ing in ‘ketting, schelling, krakeling, zilverling’ en anderen wat kleins
aanwijst. En ‘zulk’ uit ‘zoo-lijk’ ontstaan is. En dat -heid en -schap wel substantieven
geweest zijn. Of dat -rik in Frederik, Diederik = vorst, heer. Ja, dat ‘schot’, ‘schuit’
en ‘schoot’ bij mekaar hooren, en ‘glas, glimmen, glinsteren, glanzen’, net zoo goed
als ‘bruisen, brijzelen en broos’...
Ik vraag nog eens: wat doet al die etymologie in een spraakleer
2)
van het
levende nederlandsch, in een hoofdstuk over woord-vorming? Men geeft niet
aan hoe de beteekenissen met elkaar samenhangen; zich ontwikkeld hebben. Dat
hoort er niet in. Natuurlijk niet. Maar 't andere ook niet. Wat gaat al die geleerde
etymologie den onderwijzer, zelfs die voor de hoofdakte studeert, aan. En 't
allerergste, wat gaat die den leerling aan?
Het is nog gevaarlijk ook. Zijn die etymologiën wel juist? Daar heb-je ‘dorpel’, dat
geregeld uit ‘deur-paal’ komt. Is dat wel zoo zeker?
Een grammatica-schrijver kan er zich niet afmaken met een mallen
1) Zie beneden blz. 360/1.
2) Men kan deze wijsheid ook in de studieboeken missen, zie van den Bosch, Studieboeken
voor de hoofdakte, passim.
Hoogstens mag zoo'n etymologie dienen, om eens wat te illustreeren.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce