Engel IB144 Uživatelský manuál Strana 416

  • Stažení
  • Přidat do mých příruček
  • Tisk
  • Strana
    / 440
  • Tabulka s obsahem
  • KNIHY
  • Hodnocené. / 5. Na základě hodnocení zákazníků
Zobrazit stránku 415
360
in het praesens, in het perfectum, enz. Deze gelijkmaking gaat hoe langer hoe
verder, vgl. wij bonden, ik bond; kalf, kalven, en duitsch kälber, enz. enz. Met andere
woorden: men ging naar enkele vormen al de andere analogiseeren.
Die stammen met afwisselende klinker, zijn in een zeker verband met elkaar
gekomen.
En in 't germaansch is het speciaal gaan dienen om bij de verba verschil in tijd
aan te wijzen; daar heeft die afwisseling zich vrij regelmatig over het werkwoord
verdeeld
1)
.
In het praesens vindt men meest den middelstam; in het praeteritum sing. den
sterksten, in den pluraal den zwakken; een verbum als ‘ik kan, wij kunnen (voor
konnen)’ geeft dit laatste het best aan. Overigens is hier de vocaal òf van het
sing. òf van de pluraal, algemeen geworden: ‘ik bond’ naar ‘wij bonden’ - vgl.
daartegen-over hd. ‘ich band’, ‘wir banden’.
Nu zijn er evenwel ook praesentia met den zwakken stam (zoogenoemde
aorist-praesentia), die 't hoofdaccent op de stamuitgang, het bij-accent op den
stam-zelf hadden; dat zijn o.a. zuipen, buigen, komen
2)
; runnen, bij Staring is
wel een saksisch woord.
Maar niet alle verba hadden stammen genoeg om de tijden aan te wijzen.
Sommigen deden het door de reduplicatie, b.v. ‘hangen’, ‘vallen’. Later werd uit die
reduplicatie een tweeklank
3)
.
En nu is ook de ablaut van 't germaansch heelendal gewijzigd; slechts enkele
weinige rudimenta zijn er van over. Zoodat de oude stammen in onze levende taal
in 't geheel niet meer te herkennen zijn.
Oudtijds nu werden causatieven gevormd door ‘-jan’ achter den stam met het
hoofdaccent te voegen. De -
j
- veroorzaakte meest umlaut van den voorgaanden
stamklinker.
Een heel enkel bestaat er nog van; maar is meestal sterk van betee-
1) Dat elke stam of wortel op zich-zelf oorspronkelijk een werkwoordelijk begrip inhield, is
onaaunemelijk; zelfs onwaarschijnlijk.
2) Niet uit kwemen, vgl Franck, Tijdschr. II, 19; Sievers, Paul-Braune Beitr. VIII, 84; IX, 277.
- Ook 't mnederl ronnen naast ‘rinnen’, en ‘beghonnen’ naast ‘beginnen’ - Got ‘trudan’, ik
twijfel of friesch ‘troaie’ hier bij hoort; ik zou het bij 't holl ‘draven’ willen stellen. Er is ook een
dialectisch-hollandsch troie; is 't noord-hollandsch = westfriesch, alleen?
3) Zie Vercoullie, Schets Histor. Gramm. blz. 19, 2) en 3).
Taal en Letteren. Jaargang 2
Zobrazit stránku 415
1 2 ... 411 412 413 414 415 416 417 418 419 420 421 ... 439 440

Komentáře k této Příručce

Žádné komentáře