352
Zijn het nu woorden van zoogenoemde begrippen, dan is hun beteekenis alles
behalve vast. Het zijn aanduidingen, daar later eerst meer bepaalds bijkomt. Dit is
niet erg vreemd. Men merkt in den regel hetzelfde als men de wortelbeteekenissen
in 't germaansch en verder naspoort
1)
. Wie nu dichters' aanvalt, omdat hun
nieuwigheden een vage beteekenis hebben
2)
, - zoo men ze al kan vatten; - hoe stelt
die 't dan, taalkundig, met die oudere wortelbeteekenissen, of met de woordkiemen,
die evengoed ook nu nog bestaan? Taalvorming - 't is eenmaal niet anders - blijft
zich gelijk.
Zóo wou ik de woordvorming beschreven hebben, in dien trant uitgewerkt.
Dat verschilt wel een beetje van wat tot nog toe in de spraakkunsten daaromtrent
geleverd werd. 't Grootst gedeelte wat men daar vindt, hoort in Etymologische
woordeboeken; en van verreweg het meeste kan men dan nog vragen: wat geeft
al die kennis zonder vergelijkende en historische taalstudie? Wat geeft het voor juist
begrip van taal?
Wat doet het in elk geval in een spraakleer van het nederlandsch der XIX
e
eeuw?
Waarom moet daarin meegedeeld, dat ‘slechten’ een denominatief is van ‘slecht’?
Dat woord bestaat in dien zin niet meer in de beschaafde taal. M.i. worden ten
onrechte de dialecten er buiten gehouden; anders zou 't nog er door kunnen:
sommigen praten toch nog van ‘slecht haar’; anderen van ‘het slecht’ = de platte of
kleine steentjes, de trottoir; en van ‘slecht en recht’.
1) Zie over woordkiemen Franck in
Taal en Letteren
I, 136 vv. vooral. - vgl. ook 162, en noot.
En hiervoor blz. 311, over de
Parisismen
.
2) Een paar voorbeelden: Hoog boven zijn geploeter hing de regenwolk, jagend aan haar
uitkruivende randen, nit elkaar gewaaid, tot pluis geslagen aan haar wilde zoomen.
(Jac. van Looy). - en de zee zoo hoozig, zoo zeeïg, zoo donderend volkoel ‖ zoo zelf, als
bewogen volle grauwluchtwind, ‖ zoo omwarend, zoo botsendelkarend, zoo... (H.
Gorter). - gezien door de doodsche bril eener hofjes-juffronw-achtige op-prijs-stelling, of door
de bepoetelde lornjet eener banaal-populaire bespotting. - piesewieterige kakkerlak
die je bent. - de kelner trok het bovenste van elke twee borden weg met een scherp laayend
geklakgly der borden over elkaar (van Deyssel).
Hier kunnen ook dialectwoorden - niet alleen uit de volksdialecten, maar ook van bizondere
kringen onder wezen. - Wie geeft ons, wat Villatte in de
Parisismen
deed? - En zelfs
archaïstische woorden. Maar ook die heeft een ‘dichter’ tot zijn dienst.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce