10
rij van tooneelen, voor de genialiteit zijner slimheid. Hij is de man naar Van Lenneps
hart, Van Lennep-zelve. Hij is het genie van de luim, aan wien vader Syard en
Barbanera, Madzy en Reinout meedoogenloos worden overgeleverd. Alle indrukken
concentreeren zich in hem en deze totaalindruk staat in geenerlei verband met den
hoofdindruk van het eerste deel. De persoon en het lot van den graaf in het eene;
de persoon van den bisschop in het andere trekken,
ieder voor zich
, alle aandacht
tot zich. Ondertusschen is men, lezende, gaan gevoelen, dat er iets beters is, dan
willekeurige intrige en lijdelijke lotgevallen, verdichtsels van de luim eens schrijvers.
Waar is Deodaat gebleven? Hij bestaat al niet meer voor u; doch zie, daar duwt de
man in de poppekast hem even naar voren, om Madzy, die haar rol hiermede eigenlijk
heeft afgespeeld, bijna een kus te geven en een overtuigend bewijs te verstrekken,
dat wij een roman voor ons hebben zonder spil, zonder hoofdlijn. In deel III zal de
auteur hem dien kus werkelijk doen geven. Interesseert het u nog? Belangrijker
gebeurtenissen wachten ons daar: de redding van Friesland en de vervulling van
Willem's Fatum! Het lot van het boek als kunstwerk wordt er tevens beslist. Van
Arkel maakt weer plaats voor den Graaf, en deze wreekt zijn tijdelijk
verdonkeremanen op den roman, door zijn belofte na te komen en, in volle
schoonheid andermaal optredend, de katastrophe waarmee zijn aardsche loopbaan
eindigt, tot het alles overschijnend glanspunt van De Roos van Dekama te verheffen.
De schildering van den rampzaligen ondergang der Hollandsch-Henegouwsche
heerlijkheid, besloten door dat onvergetelijk tafereel van 's Graven uitvaart behoort
buiten kijf tot het beste wat de Nederlandsche Romantiek heeft voortgebracht.
Beurtelings en te zamen grijpen het verhevene en het diepsombere ons aan en
overmeesteren de ziel met een klem, die door geen Deodaat, Reinout of Madzy,
die hoofdpersonen, meer behoeft aangezet te worden: de zegepraal van Van
Lenneps kunst telt alle lezers hier onder de juichenden. Is deze toejuiching de
hoogste lof ook? Of sluit zij een veroordeeling in? De geweldige tragedie van Willem
den Vierden in den strijd met natuur en menschen, zijn uitvaart als slottooneel van
den Odulphusslag werken met de kracht van een hoofd- en slotindruk. Zoo het maar
hoofd- en slottooneel van een eigen geheel mocht zijn! Ware het nu geen onderdeel
slechts in de geschiedenis van een viertal menschen, dat voor drie vierde wacht en
stille zit en voor één vierde vergeefs belangwekkend zoekt te zijn, door hartstocht
die machtelooze zwakheid is. De voortzetting van 't verhaal na den slag en den
storm, maakt den indruk van een toegift. De quasi-helden bekoopen hun aanmatiging,
Taal en Letteren. Jaargang 2
Komentáře k této Příručce