Engel IB144 Uživatelský manuál Strana 209

  • Stažení
  • Přidat do mých příruček
  • Tisk
  • Strana
    / 440
  • Tabulka s obsahem
  • KNIHY
  • Hodnocené. / 5. Na základě hodnocení zákazníků
Zobrazit stránku 208
161
maakte opmerkingen te doen inzien, dan dit: knutsel zelf een' regel terecht en lees
bijv.: ‘Is God dan doof voor mijn gebeden’ of wat gij maar wilt.
Wij mogen niet over het hoofd zien, dat de eigenaardige werking van die drie
woorden aanmerkelijk verhoogd wordt door de tegenstelling met de lange reeks,
die vooraf gaat. Reeds eerder hadden we kunnen opmerken, dat er in ons gedicht
eene groote afwisseling van beweging is. De maat is op eene enkele uitzondering
na - waarover straks - overal dezelfde; we vinden enkel de voor onze taal meest
natuurlijke tweedeelige voeten, die wij jamben noemen:
een én
|
gel kwám
, de
tweede lettergreep telkens beklemtoond. Maar ongelijk is de lengte der regels, welke
uit deze voeten zijn samengesteld: soms vinden we er slechts twee, dan weer
dringen er zich zes bijeen en schijnt de wel haast niet te stoppen. Met groot talent
bedient de dichter zich van dit verschil in beweging - natuurlijk meer door zijn
geoefenden smaak, dan door redeneering geleid - om zinnelijke of onzinnelijke
beweging af te beelden. Ernstig en langzaam is in den aanvang de gang der verzen,
als de vreeslijke engel des doods, onkenbare engel des lichts, voor ons uittreedt.
Vlugger wordt de beweging, waar hij het huis binnengaat, evenals later, waar hij
met het kind ten hemel wijkt. Voller, onstuimiger dan bij den biddenden vader vloeit
de woordenstroom, als het heftig bewogen gemoed der moeder tegen de smart
worstelt.
Misschien ziet het oog van dezen of genen lezer, dat niet gewoon is naar deze
dingen te kijken, nog niet dadelijk 't geen ik wil laten zien, en zijn een paar andere
voorbeelden ter verduidelijking niet overbodig. In het vers
Aan Willem de Clercq
,
die een dag na Da Costa verjaarde, is het telkens de langere derde regel, waarin
de volheid van het gemoed zich uitstort:
De hand van God
Verbond ons lot.
Wie zal het rukken van elkaâr?
Wat eenmaal stond,
Door Hem gegrond,
Blijft eeuwig vast, blijft eeuwig waar.
Eens Heilands trouw
Kent geen berouw.
Wie zal ons scheiden van dien Heer?
Geen tegenspoed,
Geen overvloed,
Geen smaad, geen haat, geen gunst of eer.
enz. Men leze het geheel na in het derde deel, vooral om den laatsten regel te
waardeeren, waarin het vol gemoed zich met een niet te stuiten stroom ontlast; eerst
daarna komt er rust:
Wij hebben 't Woord!
Het word' gehoord,
Geloofd, bewaard, doorzocht, onthuld,
En in gena,
't Zij vroeg of spâ,
Aan 't geen ons hart bemint, zijn naam ter eer, vervuld.
Taal en Letteren. Jaargang 2
Zobrazit stránku 208
1 2 ... 204 205 206 207 208 209 210 211 212 213 214 ... 439 440

Komentáře k této Příručce

Žádné komentáře